De griezel Anton Verstraete Linda weet dat opnieuw een lange, vervelende dag voorbij is. Nog vijf minuten, dan mag ze weer naar huis. Niets bijzonders gebeurd vandaag. Een paar huilende kinderen, maar liefst dertien mannen in pak, een mevrouw die maar bleef mopperen over haar permanentje van vorige keer. Ze heeft weer voornamelijk blond geknipt vandaag en begint zich nu serieus af te vragen of bijna iedereen in deze buurt soms blond is. Dat is haar nog nooit opgevallen. Met een bezem veegt ze de haren naar een hoek. Haar chef, de kleine, kale meneer Van Vleut, zit zoals elke dag zenuwachtig het geld van de kassa te tellen, daarbij bonnetjes uitvouwend en gladstrijkend. Zijn halve bril hangt op het puntje van zijn neus en zijn wenkbrauwen houdt hij hoog op. De getallen die hij voor zich uit mompelt, kondigen zoals elke dag die langverwachte zin aan: 'Doe de deur maar dicht hoor, Linda.' Linda legt zo kalm mogelijk de bezem opzij en loopt naar de deur. Naar huis, teevee kijken. Wijntje, borrelnootjes. Maar als ze dicht bij de deur is gekomen, merkt ze dat het opeens donkerder lijkt te zijn geworden. Ze kijkt op en ziet een enorme man voor de deur staan. Onder de zwarte glazen van zijn zonnebril staat een brede, ongeschoren grijns tussen twee opvallend grote bakkebaarden. De man zwaait met de vier vingers van zijn rechterhandschoen en duwt de deur open. Harley Davidson! flitst het door Linda's hoofd, 't is zo'n Harley-fanaat. Dat schijnen best wel aardige mensen te kunnen zijn. Als je d'r maar goed mee omgaat. De man neemt zijn zonnebril niet af, vouwt zijn handen voor zijn kruis over elkaar en zegt dan langzaam: 'Ik wil graag de topjes van mijn bakkebaarden af.' Linda slikt even en zegt dan resoluut: 'Ik wilde net gaan afsluiten meneer. 't Is zes uur.' Waarom ze dat zegt, weet ze niet. Het slaat nergens op. Ze kan nog best even zijn bakkebaarden doen. Meneer Van Vleut kijkt verbaasd naar Linda, doet een paar stappen naar voren en zegt: 'Doe niet zo mal, Linda. Die meneer wil graag van de topjes van zijn bakkebaarden af.' Linda giebelt en hupt even op haar hakken. 'Natuurlijk, doen we even. Komt u maar mee meneer. Legt u uw zonnebril maar even op het tafeltje.' De man gaat voor de spiegel zitten, kijkt zichzelf aan en zucht diep. 'Mijn zonnebril blijft waar hij is,' zegt hij langzaam. Ook goed, denkt Linda, en zonder iets te zeggen zet de schaar in de rechter bakkebaard van de man. 'Niet zo hoog!' schreeuwt de man. Linda deinst achteruit. 'Goed, goed!' roept ze. 'Ik had nog niet geknipt. Doen we het wat lager.' En voorzichtig zet ze de schaar weer in de bakkebaard. 'Zo goed?' vraagt ze. De man bromt iets. Knip. Da's gedaan.'Het is mooi weer vandaag,' zegt Linda als ze om de brede man heenloopt. 'Ik ben een intens gelukkig mens,' zegt de man. Knip. 'Da's dan achttien gulden vijftig,' zegt Linda vrolijk. De man geeft haar het geld en loopt zonder iets te zeggen weg. Als hij nog maar net de deur heeft dichtgetrokken, zegt Linda: 'Jezus, wat een griezel.' Van Vleut reageert niet. Maar bij de deur staat de man nog, die nu naar Linda lacht en zijn zonnebril afzet. Als hij wegloopt, hoort Linda hem hardop lachen. 'Jezus, wat een griezel,' zegt ze nog eens. Maar dan houdt ze haar hoofd even schuin en realiseert zich met een glimlach dat de man wel even zijn zonnebril afzette. Voor haar! 'Kom op, joh,' zegt Van Vleut, die de man alweer vergeten lijkt te zijn, 'maak het even af. Dan kun je naar huis.' 'Ja, natuurlijk,' mompelt Linda. 'Wat een griezel.' 'De man is intens gelukkig, dat zei hij toch?' Het is helemaal niet zo'n mooi weer vandaag, denkt Linda, terwijl ze haar jas nog wat strakker om zich heen trekt. Wat een stomme opmerking was dat, zeg. Nooit over het weer beginnen, zei moeder altijd, da's goedkoop. Maar dan hij! Zomaar te zeggen dat hij een intens gelukkig mens was, dat sloeg ook nergens op. Als ze de man ziet naderen, herinnert ze zich in een flits hoe ze gedacht had: die man kom ik niet graag alleen in het donker tegen. De man steekt naar rechts over, nadat zij hetzelfde heeft gedaan. Ze stopt. De man loopt recht op haar af. 'Ik heb het zojuist nog in m'n spiegeltje bewonderd,' zegt hij, 'en ik vind dat je het fantastisch hebt gedaan.' 'Wat?' vraagt Linda zachtjes. 'M'n bakkebaarden,' zegt de man. Hij stopt en Linda hoort dat hij een beetje hijgt van het snelle lopen. 'M'n bakkebaarden, vakwerk gewoon. Hartstikke mooi. Echt waar.' 'Daar ben ik blij om,' zegt Linda beleefd en ze maakt aanstalten om de man te passeren. 'Een complimentje van de klant kan ik altijd bijzonder waarderen,' zegt ze dan ook nog. De man doet echter opeens een stap opzij, waardoor ze vlak voor elkaar staan. 'Hebt u een vriend?' vraagt hij. 'Ja, eh... nee,' zegt Linda, een beetje overdonderd, 'gehad wel, ja, maar nu niet meer.' 'Mooi.' De man vouwt zijn armen voor zijn borst. 'Hoezo mooi?' vraagt Linda. 'Weet je nog dat ik vandaag zomaar zei dat ik een intens gelukkig mens ben?' 'Ja, dat herinner ik mij levendig, ja.' 'Welnu, da's een lang verhaal. Maar het komt erop neer dat een heel belangrijke meneer, een superhoge pief zeg maar, simpelweg heeft besloten om mij gelukkig te maken. Ik ben schat- en schatrijk, ik heb alles wat mijn hartje begeert. Maar ik ben alleen. En nu had ik gedacht... Nee, wacht. Laten we kennismaken. Heel erg belangrijk. Laten we kennismaken.' Hij steekt Linda zijn kolossale hand toe en zegt: 'Johannus.' Linda pakt de hand en stamelt: 'Linda. Ik ben Linda.' 'En je bent kapster,' vervolgt de man. 'Welnu, ik ben dichter.' Hij wacht even en lacht kort. 'Ja, dat had je niet gedacht, hè? Dichter! Maar heus waar, ik ben een echte dichter, niet zo'n psycho-freak die zich zomaar dichter noemt, nee: een echte. Er liggen al drie bundels van mij in de winkel. Arbeiderspers. Arbeiderspers, meisje! Da's niet mis. En oplage's, dat geloof je niet. De laatste ging direct al in een oplage van vijfduizend de deur uit, en ze zijn al aan de derde herdruk toe. Een echte dichter dus, deze jongen. En intens gelukkig ook dus, maar da's een heel ander verhaal. Dat heeft te maken met die hoge pief.' Hij stopt opeens met praten en knikt heel diep, ernstig, alsof hij iets belangrijks wil zeggen, en daar de juiste woorden voor aan het zoeken is. 'Ik vind het prettig kennis met u te hebben gemaakt,' zegt Linda. 'Nee,' haast de man zich te zeggen, 'nee, nu moet u niet weggaan.' Hij vouwt zijn handen in elkaar en denkt nog even na, een seconde. 'Ik heb dus alles. En dat wil ik met iemand delen. Ik heb gedacht: als iemand mij intens gelukkig kan maken, dan kan ik ook een ander intens gelukkig maken. Ik leg je het hele verhaal nog wel uit. Maar ga nu met me mee. Dat mag misschien wat vreemd zijn, maar je zult er geen spijt van hebben. Ik heb een klein kasteeltje in Frankrijk van die hoge pief gekregen en ik bulk van het geld. Wie weet worden we samen wel heel gelukkig, en mocht het niet bevallen, wel, dan ga je gewoon terug naar je eigen leventje als kapster en laat ik je verder met rust. Denk erover na. Wil je dat doen?' 'Nee,' zegt Linda. 'En nu wil ik dat u opzij stapt en mij verder met rust laat. Hebt u dat begrepen?' Hij kijkt haar even aan met een uitdrukkingsloos gezicht en knikte dan drie keer heel kort. Hij doet een stap opzij en kijkt naar de grond. Linda trekt haar jas nog eens wat op en loopt met stijve pasjes het steegje uit, de hoek om. Het is al tien voor zes geweest als de man weer binnenkomt. Ondanks de regen draagt hij weer zijn zonnebril, die hij echter afzet zodra hij binnenkomt. Linda hoort zijn gehijg weer. 'Ah!' roept ze, 'veel beter op tijd dit keer! Maar weer eventjes de topjes van de bakkebaarden eraf? Geen probleem, hoor. Lukt nog wel.' 'Linda!' roept meneer Van Vleut, 'gedraag je!' 'Ik kom enkel even voor de regen schuilen,' zegt de man. 'Het begon opeens te gieten en daar ben ik helemaal niet op gekleed.' 'Geen probleem, meneer,' zegt Van Vleut. 'Gaat u rustig zitten. Wilt u misschien een kopje koffie?' 'Graag,' zegt de man en hij gaat zitten. 'Melk en suiker.' Hij heeft zich vandaag geschoren, merkt Linda. En hij heeft zijn strak leren broek vervangen door een nette spijkerbroek. Ze pakt weer de bezem en begint te vegen. Van Vleut begint weer nerveus het geld te tellen. De man kijkt onafgebroken naar Linda en glimlacht elke keer als Linda naar hem kijkt. 'Hij reed vóór me,' zegt hij. 'Wie?' vraagt Linda. 'Die pief. Hij reed voor me. We scheurden allebei met zo'n ruime honderd over de weggetjes in het pikdonkere platteland. Zie ik hem opeens gaan spinnen, helemaal in de ronde. Glijdt-ie me toch zomaar van de weg af het water in. Hij rolde zo van de wal af en kwam kopje onder in het water terecht. En die vent zat hartstikke muurvast. Ik zag hem zo wegglijden. Hij zakte langzaam naar beneden en ik zag hoe hij me met grote ogen aankeek, de beide handen plat op de ruit. En toen ben ik het water ingesprongen en naar de auto toegelopen. Dat ding was al helemaal kopje onder gegaan, man. Dus ik ook kopje onder. Ik pak dat portier en scheur het zo uit die auto. Ik ben loeisterk, weet je. Ik pak dat ding en ruk het er zo uit. Toen heb ik die kerel bij z'n kladden gepakt en twee minuten later lag hij op de kant dat smerige water uit te kotsen. En toen heb ik hem overeind gezet en ben ik in m'n auto gaan zitten en ben ik er als de bliksem vandoor gegaan. Want ik werd zelf gezocht door de politie op dat moment. Da's nu allemaal geklaard, hoor, niks aan de hand. En verderop heb ik in een telefooncel, die daar zomaar in het niets op mij stond te wachten, daar heb ik toen de politie gebeld.' 'Wat een avontuur,' zegt Linda. 'Zo maak je nog eens wat mee, hè?' 'Nou en of,' zegt de man en hij glimlacht knikkend voor zich uit. 'Maar da's alles nog niet. Het mooiste kwam pas jaren later.' Hij lijkt te hebben besloten om dat mooiste dan ook maar tot later te bewaren, want hij staat op en maakt aanstalten om weg te gaan. Maar Linda loopt op hem af en zet de bezem tegen zijn borst. 'Zitten,' zegt ze. Dan, met een verontschuldigende glimlach: 'Vertelt u alstublieft nog een stukje verder, meneer.' 'Johannus,' knikt de man. 'Noemt u mij maar Johannus.' 'Ook goed, Johannus. Vertel verder, Johannus.' De man pakt plotseling een pen uit zijn borstzak, en frummelt een kauwgompje uit de verpakking. Hij begint heftig te kauwen, terwijl hij met de pen op de tafel tikt. 'Ik was gewoon aan het poolen,' zegt hij en hij blijft een tijdje stil. 'Gewoon een potje aan het poolen met m'n vrienden. Komt er zo'n klein mannetje binnen en hij loopt zonder om zich heen te kijken naar mij toe en tikt mij op de borst. Dus ik begin te lachen en ik geef dat ventje een dreun. Ja, weet ik veel. Normaal gesproken tikt niemand mij zomaar op de borst. Ik heb wat dat betreft een reputatie hoog te houden daar. Die man valt op een stoel, maar staat direct weer op en begint te lachen. 'U bent Johannus, nietwaar?' zegt hij. 'Beter bekend als Johannus de Bakkebaardenmeneer?' Nou toen wilde ik hem alweer een dreun verkopen, want ik vind dat een scheldwoord, dat bakkebaardenmeneer. Zegt die man opeens met een soort lyrische grijns op z'n kop: 'U hebt mij het leven gered.' Ik denk: waar heeft die man het over. 'Zonder u had ik hier niet meer gestaan. Zonder u was alles afgelopen geweest,' gaat die man door. 'Zonder u had ik niet mijn boek af kunnen schrijven. Meneer Johannus, ik heb drie jaar naar u gezocht, maar nu heb ik u gevonden. U hebt mij het leven gered.' Dus ik schud die man enthousiast de hand, klop hem op de schouder - zonder dat ik ook maar een idee heb waar hij het over heeft. En dan denk ik opeens: verdomme! Die vent die aan het verzuipen was in de sloot! Jezus, is die arme kerel drie jaar naar mij op zoek geweest, om mij te kunnen bedanken. Wat lief! En ik grijp hem vast en sla hem per ongeluk bijna in elkaar. Wat een kerel! En wat zegt die vent? 'Ik ga jou intens gelukkig maken.' Dat zegt-ie! 'Ik geef jou alles wat je wilt hebben. Noem het maar. Nu weet ik waar ik mijn leven lang die miljoenen voor heb gespaard. Niet voor mijn kinderen! Niet voor goede doelen. Maar om één man intens gelukkig te maken. Om die man alles te geven wat hij maar wil hebben. En dat alles omdat die man dat verdiend heeft. Omdat die man mij het leven gered heeft. U zult weten hoe dankbaar ik ben, meneer Johannus. U zult het weten.' Nou, en vanaf dat moment ben ik gelukkig.' Hij staat op en glimlacht nog even naar meneer Van Vleut en dan nog even naar Linda. Hij zet zijn zonnebril weer op en zegt: 'Het regent niet meer. Morgen wordt het vast weer prachtig weer. U wordt hartelijk bedankt.' En terwijl meneer Van Vleut nog steeds zachtjes mompelend en hoofdschuddend het geld telt, ziet Linda door het raam in de deur hoe de man wegloopt, zachtjes zwalkend, alsof hij een melodietje in zijn hoofd heeft. 'Wat een griezel,' zegt ze. De man is nu al een paar dagen weggebleven, maar Linda denkt nog steeds aan hem. Die idiote man heeft haar toch wel aan het nadenken gezet. Over haar baan, over dat ze nu toch al tegen de dertig begint te lopen en eigenlijk nog nooit een vast vriendje heeft gehad. Dat permanentjes zetten en pony's knippen op den duur ook niet alles is. En of ze dan misschien niet toch beter kon zeggen: what the fuck! en gewoon met alles stoppen, en dan lekker met die Harley Davidson naar een kasteeltje in Frankrijk? Hij was steeds heel beleefd, hij komt gewoon een beetje griezelig over. Maar ze besluit plotseling definitief nee te zeggen, als de man, alweer vlak voor sluitingstijd, in de deuropening verschijnt. Hij zwaait de deur als een cowboy open en heeft zijn duimen in zijn riem gestoken. Onder zijn zonnebril is zijn grijns weer ongeschoren. 'Wel, madam Linda?' vraagt hij langzaam. 'Heeft u besloten? U weet wat mijn aanbod inhoudt: intens geluk, voor de rest van uw leven.' 'Ik wil niet dat u mij nog eenmaal lastigvalt,' zegt Linda kortaf. 'De volgende keer schakel ik de politie in.' De deur gaat open en een meisje, eigenlijk een jonge vrouw al, verschijnt. 'Ja, neemt u mij niet kwalijk,' zegt ze, 'maar ik heb me hier vanmiddag laten knippen en ik ben niet helemaal tevreden. Kunt u me daar nog snel eventjes mee helpen?' 'Ja, natuurlijk,' zegt Linda, terwijl ze de man blijft aankijken, 'ik heb alle tijd. Wat is het probleem?' En terwijl het meisje gaat zitten en kijkend in de spiegel uitlegt dat ze de haarlijn bij haar oren zo nog net iets te hoekig vindt, kijkt Linda onafgebroken naar de man, die naar voren loopt en naast het meisje gaat zitten. Hij bekijkt haar van heel dichtbij en zegt dan: 'Ja, te hoekig, dat vind ik ook.' Het meisje kijkt zover mogelijk opzij, zonder haar hoofd te bewegen en giechelt even. Na een korte stilte, zegt de man tegen het meisje: 'Ik ben een intens gelukkig mens.' 'Zo, werkelijk?' zegt het meisje. 'Ja, echt waar. Da's een lang verhaal moet je weten.' Hij steekt het meisje de hand toe en zegt: 'Johannus, dichter van beroep. Een echte dichter.' Maar dan loopt Linda naar voren en tikt de man op de schouder. 'We gaan sluiten, meneer, wilt u de zaak verlaten?' De man staat glimlachend op en steekt een vinger in de lucht. 'U hebt groot gelijk. Wederom dank voor uw gastvrijheid.' En met een knipoog voegt hij eraan toe: 'Ik denk niet dat ik u voorlopig nodig heb.' Dan vertrekt hij. Linda buigt zich voorover naar het meisje en fluistert: 'Wil je in één klap intens gelukkig worden?' Het meisje kijkt haar verbaasd en een beetje geschrokken aan. 'Alles hebben en wonen in een kasteeltje in Frankrijk?' vervolgt Linda. 'Moet je eens een keer met die jongen uit. Je zal niet weten wat je overkomt.' 'Ik zal er eens aan denken,' zegt het meisje met een onzeker lachje. 'O, je komt hem nog wel tegen binnenkort' 'Denk je?' 'Zeker weten. Hij heeft een hoge pief uit de sloot getrokken, moet