P.C. Hooft Aan Mijne Vrouw Mevrouw, als met papier De rijmen dezer bladen Uw boekerij verladen, Beveel ze maar aan 't vier. Dat zij hun lijf en leven Weêr leevren aan den brand Is niet onbillijk: want Die heeft het hen gegeven. P.C. Hooft Al troont geleerde hand, met vingren wis en snel, Vloeizoete wijzen uit het zangrig snarenspel; Al lokt uw sneêge zang, met streelend lief geluid, De vlotte ziele tot het zwijmend ligchaam uit: In strikjes van uw hair mijn geest niet is verwart. Uw blinkend aangezigt sticht mij geen brand in 't hart. Van 't schittren uwes oogs en word ik niet verblind. Noch stem, noch kunstig spel mijn zacht gemoed verwint. Maar wijze goedheids kracht, en 't needrig braaf gelaat Dat teedre borst verkwikt en trotsche borst verslaat; Maatwijze geestigheên, bevalliglijk vertaald: Deez' hebben op mijn ziel verwinnings roem behaald. P.C. Hooft Amaryl Amaryl de deken sacht Van de nacht, Met sijn blaeuwe wolken buijen, Maeckt de werelt sluimerblint En de wint Soeckt de maen in slaept te suijen. Sien jck Oost of Westen heen, In 't gemeen, Raên de sterren mij te scheijen Van de straet, om slapen gaen, En de maen Biedt haer dienst mij t;huijs te leijen. Maer sij driecht mij (soo ick drae Niet en gae) Achter t luwe bosch te dalen, Sal ick al de wech alleen Dan betreen Bij de duistre sterre stralen? Neenge seij de Min ick sal U voor al Gaen geleijen met mijn schichten Dus op yemants overlast Niet en past; En mijn fakel sal u lichten. Amaryl ick stae hier veur Dese deur Sal den dans noch langer duiren Daer ghij binnen aen crioelt, Noch en voelt Dese cvoude buiten wren? Min, sij wort u fakel claer Niet gewaer Door de glasen, noch mijn clachten, Maer ick wandel even seer Heen en weer. Hoe verdrietich valt het wachten. Maer siet gins, oft ooch oock mist? Neen, sij ist. Amaryl, mijn lieve leven! Cephalo van waer comt ghij? Vraechdijt mij? Troost ick sal u antwoort geven. C: Kond'jck leven sonder u, Ick sou nu Niet gaen dolen bij de wegen. A: Ach het harte tuichdent mijn En ick vijn Cephalo, ghij comt mij tegen. C: Schoone siele van mijn siel Als u viel In u besige gedachte Dat ick u ontmoeten sou Denckt mijn vrou Dat u min die bootschap brachte. P.C. Hooft Grafschrift voor Brechtje Spiegel Goedheid zonder lafferij, Wijsheid zonder hoovaardij, Schoonheid zonder zich te hagen. Eere zonder roem te dragen, Open borst inzonderheid Had zij die hieronder leit. Pieter Corneliszoon Hooft Leonoor Leonoor, mijn lieve licht, Voor uw oog de zonne zwicht Met haar blonde stralen, Die gansch niet, in mijn gezigt, Bij zijn glorie halen. Vonken, foelie aan die git, Gitjes met uw gouden pit, Bliksemt niet zoo fellik Dat het hart, dat u aanbidt, Te eenemaal verwellik. Lieve Leonoor, gij moordt, 't Harte dat u toebehoort, Met die lieve lonken, Zoo mij niet een troostig woord Komt in 't hart geklonken. Woordjes kunt gij duizend smên, Die daar geestig, aardig, heen- Vliên als minnegoodjes. Maar tot troost en komt er geen Uit de ivoren slootjes. Houdt uw eigen slaaf te râ. Zalig kunt ge'em maken dra, Zoo gij slechts laat slippen Op zijn bede een gunstig ja Uit die lieve lippen. Pieter Corneliszoon Hooft Op een Afzeggen Lieve lichte Leonoor, Ik en hield u daar niet voor, Als ik lieve lichte zei: 'k Meende uw oogjes allebei. Niet dat, in hetgeen ik sprak, Al te dubble waarheid stak. Op den eenen avondstond Zeide mij uw schoone mond: ''Liefste, lievren heb ik geen.'' 's Andren avonds zegt gij: ''Neen.'' Zinnetjes te wispelziek, Ziet of uw gepluimde wiek Andre re&ecitrc;n van wenden vindt Als het draaijen van den wind. Dikwijls wind nog statig waaijt; Maar dat gij gedruig draaijt, Of gij neen waarachtig zweert, Ge 'ebt het van een tol geleerd! Al wie volgen haren draf, Delven zelven zich een graf. P.C. Hooft Berijming van Psalm 23 Mijn' hoeders zijn de goddelijcke zorghen. Wien kan 't misgaen, die rust op sulke borghen. De jeughd des velds plujck jck in groener wejde, Bij frisse beeck. En God, met zijn gelejde (Wel op mijn' ziel) mij wijst gewenschte weghen: Als die sijn' eer daer aen laer zijn geleghen. Al stond jck oock in naerheidt onder aerde En in mijn licht de doodt: mij en vervaerde Haer schaeduw niet. Want ghij met uwe roede Mij bijstandt doet. Des is mij wel te moede. Ghij vult, daer 't zien de geene die mij haeten, Met eedle spijs en dranck, mijn' taefelvaeten. Van u, mij 't hooft met olij wordt bedroopen Die lieflijck lucht. Uw miltheit altijdt oopen Versekert mij, dat jck, te geene daeghen Sal hebben stof om over haer te klaeghen. In 's Heeren hof jck met der woon sal blijven; En waere weeld' aen mijnen geest beklijven. Pieter Corneliszoon Hooft Roosje In de bladen van een roosje Vindt gij, o mijn zoete Troosje, Kleene gift. Waar' zij zoo groot Als de gunst, te kleen een doosje Waar' de gansche wereldkloot. P.C. Hooft Sal nemmermeer gebeuren Mij dan nae dese stondt De vrientschap van u oogen, De wellust van u mondt? De vrientschap van u oogen, van u oogen De vrientschap van u oogen, De wellust van u mondt, De jonste van u hartgen Dat voor mijn open stondt De jonste van u hartgen van u hartgen Soo sal jck nochtans blijven U eewich onderdaen, Maer mijn verstroyde sinnen, Wat sal haer annegaen? Maer mijn verstroyde sinnen, stroyde sinnen Mijn sinnen mogen swerven De leijde lange tijt Nu sij, mijn overschoone Sijn haeren leitstar quijt. Sijn quijt mijn overschoone, overschoone De schoon borst wt tot tranen, Ten baten geen bedwang, De traentgens rolden neder Van d'een op d'ander wang. De traentgens rolden neder, rolden neder De schoone traentgens dede Meer dan een lachen doet Al in sijn hoochste lijen Sij troosten sijn gemoedt. Al in sijn hoochste lijen, hoochste lijen Vrouw Venus met haer starre Thans claerder als de Maen Bespieden die vryagie En sacht mirakel aen. Bespieden die vryagie, die vryagie En hebben teere traentgens Seijd sij soo groote cracht, Waerom en is het schrejen Niet in der Godes macht? Waerom en is het schreijen, is het schreijen. De traentges rolden neder, Maer de Godinne soet Beij liever soud'jck schennen, Seij sij, mijn rosen hoet. Beij liever soud'jck schennen, soud'jck schennen. En eer sij cond gedogen Dat ymandt die vertradt, Ving sij de laeuwe traentges In een coel rosebladt. Ving sij de laeuwe traentges, laeuwe traentges. Wat geef jck om mijn rosen Of 't maecksel van mijn crans. Ick sal gaen maken perlen Van ongemeene glans. Ick sal gaen maken perlen, maken perlen De tranen werden perlen Soo rasch haer twoort ontginck Die sij met goudt deerboorden En aen haer ooren hinck. Die sij met goudt deerboorden, goudt deerboorden. De blancke perlen hielen De crachten van 't geween. Sij doen noch in den hemel Dat sij op aerde deen. Sij doen noch in den hemel, in den hemel. P.C. Hooft Sang Klaere, wat heeft 'er uw hartje verlept Dat het verdriet uit vrolijckheid schept, En altijd even benepen verdort, Gelijck een bloempje, dat dauwetje schort? Krielt het van vrijers niet om uw deur? Mooghje niet gaen te kust en te keur? En doeje niet branden, en blaecken, en braên Al waer 't u op lust een lonckje te slaen. Anders en speelt het windetje niet, Op elsetacken, en leuterigh riet, Als: lustighjes: lustighjes. Lustighjes gaet Het waetertje, daer 't tegen 't walletje slaet. Siet d'openhartighe bloemetjes staen, Die u tot alle blijgeestigheidt raên. Self 't zonnetje wenscht' u wel beter te moe, En werpt u een lieffelijck ooghelijn toe. Maer soo se niet, door al hun vermaen, Steeken met vreughd uw sinnetjes aen, Soo sult ghij maecken aen 't schrejen de bron De boomen, de bloemen, de sujvrere zon. Schoon Nimfelijn, ach kindje mijn, wat zoude ik al vercieren Om, naar mijn wensch, dees ledetjens zoo welgemaakt te sieren! Met blinkend goud of perlen zoudt gij voelen ras belasten Uw halsje zoet, dat kraal als bloed daarom niet beter pasten. Ik zoude u kleên, met keursjes reên, van lichte verwen blijdtjes. Die zouden staan geschilderd aan uw breedachtige zijdtjes; Uw voetjes mit haar schoentjes wit, daar in geval bij 't bokken Het inkarnaat zoo wel bij staat van hoosjes net getrokken. Uw armpjes meê, zoo wit als snee, zoude ik koraal om schikken. Deez' vlechtjes blond op nieuwen vond zoude ik u leeren strikken. Met snoertjes veel, nu groen, nu geel, bij lodderrijke beurtjes. Voor waatren 't haar, of kruiven 't daar, en duizend zoete leurtjes. 't Perruikje zou ik trekken, nou wat laagjes, dan wat hoogjes; En, als het klaar gefutseld waar, mij spieglen in uw oogjes; Dan werpen ligt nu mijn gezigt op 't eene, nu op 't ander; Dan nemen taaam hoe 't altezaam zou voegen bij elkander. Indien dat gij uw oogjes blij en liefelijke zeden, Zoo vreugderijk, zoo vriendelijk, zoo vol bevalligheden, En uw aanschijn, vernoegd, tot mijn dan met een lachje wendde'; Zoo zoude ik, hiel in u, mijn ziel gaan metter wone zende'. En als ik wat belonked had den brand van alle knechtjes, Uw zedetjes, uw ledetjes, uw fraai getooide vlechtjes: Zoo zoude ik streng met armen eng, uw jente lijfje prangen, Tot ik daaruit kreeg, buit om buit, uw zieltje weer gevangen. De verwe van mijn lippen, an uw wangjes zoude ik plekken; Door zoentjes zacht, en met haar kracht, uw ziel te mond uittrekken. Ik wed, ik weet, gij dan beleedt dat niemand van uw zusjes, Daar gij verblind nu smaak in vindt, gaf ooit zoo zoete kusjes.