Christine Van Den Hove Ambrosius, Ambrosia (c) 1995 Christine Van den Hove Bruno brengt Broes! Ik loop naar de voordeur en kijk onderweg in de spiegel. Ik zie er goed uit. Ik draag geen beha en ik schaam me niet. Bruno is gehaast. Zoals altijd. "Dag zus." zegt hij droog. "Judith, antwoord ik, het is Judith, Bruno" Hij lacht plagerig en kust me op mijn mond, mijn grote broer. Broes steekt zijn armpjes naar mij uit. "Tante zus", zegt hij. Ik leer het hem wel af. Zijn eerste zoen van vandaag blijft kleven op mijn wang. Ik kus hem terug, op zijn voorhoofd en op zijn neus. "Dag mijn kleine Broes, zeg ik, dag mijn snotaapje." Hij legt zijn hoofd in mijn hals. In zijn hand heeft hij een autootje, een getrouwe kopie van de gele kever van zijn vader. Bruno haalt nog een tas met spulletjes naar binnen en vertrekt weer. Hij zoent zijn zoon, zoent mij en dan is hij weg. Het went nooit. Hij gaat steeds weer weg. Naar zijn werk, naar de sporthal, naar zijn vrouw. Ik haat Vera niet. Ik vergeet haar. "Kom, Ambrosius, zeg ik,"Judith heeft een roereitje voor je gebakken." Ik verbeter mezelf: "IK heb een roereitje gebakken." "Roereitje.", antwoordt hij. Ik til hem op een stoel en bind hem een slabbetje voor. Hij trekt zijn knieën onder zich en ik laat hem begaan. Zo zitten we bijna op gelijke hoogte. Ik voer hem lepeltjes roerei en stukjes vers wit brood. Hij eet zwijgend, zijn rechterhand op het dak van zijn kever, zijn linkerhand om de rand van de tafel geklemd. "Melk." zegt hij en ik geef hem een beker die hij met twee handen vasthoudt. De kever staat wat verweesd tussen de kruimels. Hij drinkt alles in één keer uit en zet de plastic beker met een vergenoegde zucht op tafel. "Danke tante zus." "Neen Broesje, probeer ik, het is niet tante zus." "Niet tante zus." echoot hij. "Het is Judith, gewoon Judith." zeg ik, traag articulerend. "Gewoon Judith", zegt hij en hij klimt van zijn stoel. "Wacht eventjes, je slabbetje ..." Ik trek de strik in zijn hals los en veeg de melk van zijn bovenlip. "Voelen, zegt hij, en hij brengt mijn hand naar zijn achterhoofd. "Ach, je haar is geknipt!", zie ik nu pas. Zijn hoofdje is warm en rond. Zijn zwarte haartjes zijn nog zijdezacht. Bruno's haar is dik en hard maar nog steeds zwart, al wordt hij volgend jaar vijftig. Vanavond, wanneer hij zijn zoon komt halen, zal zijn baard al stoppelen en een grijze schaduw over zijn wangen en kin leggen. Ik zal hem stevig omhelzen zodat ik hem vannacht nog steeds in mijn huid kan voelen. Broes maakt zich los uit mijn strelende handen en loopt de kamer in. Zijn kever moet het hele parcours doen: tussen de fotolijstjes op de buffetkast, over de piano, omlaag langs de verwarming, langs de rand van het tapijt en weer omhoog langs de tafelpoot. Ik ruim af en laat hem met rust. Ik ga op de bank liggen. Broes vrroemt verder door de kamer. Dan loopt hij naar de gangdeur. "Moet kaka, zegt hij" Ik knik. "Ga maar, engeltje, ik kom je meteen helpen." Ik hoor hem aan de badkamerdeur morrelen. Het duurt niet lang. "Gedaaaan!" klinkt het, bijna tiranniek. Ik haast me naar mijn kleine meester. Hij staat al recht, broek op de enkels. Zijn piemeltje bengelt nietig mee als hij zich omdraait en naar voren buigt. Ik inspecteer zijn gaatje, dep het even met wat papier, - wat niet eens nodig blijkt-, en haal zijn broek op. Mijn koele vingers op zijn warme buik. Hij lacht. En dan het gebaar waarop ik onzeker heb gewacht: hij reikt naar mijn borsten. Bruno zegt dat het geen kwaad kan. "Als je er niet te geheimzinnig over doet, gaat het vanzelf over." Ik weet het niet. Ik negeer zijn grijpende handjes en til hem op. Terug naar de woonkamer. Ik zet hem op de bank, geef hem zijn auto en ga naast hem zitten. Oud verdriet kruipt langs mijn rug omhoog. Ik denk aan het kleine meisje op de knieën van haar broer. En aan haar broer die stil zat, zijn armen slap naast zich, maar zwaar ademde. En hoe hij haar plots van zijn schoot tilde en de kamer uitliep. Ik ga liggen. Er is plaats genoeg voor ons twee. Broes stuurt zijn auto over de armleuning. Vandaar naar mijn voet, over mijn been, naar mijn buik. Hij klimt op mijn heup. Ik laat hem begaan. De zwarte wielen van zijn kever rollen over mijn sleutelbeen en rijden mijn tepels plat. Ik streel zijn warme hoofdje. "Ambrosius, fluister ik, ken je Ambrosia?" "Ambrosia, wat vloeit mij aan? Uw schedelveld is koeler maan en alle appels blozen" "Appels blozen." herhaalt Broes. Ik glimlach en probeer mij de rest van het gedicht te herinneren. Het past wonderwel bij hem, bij ons. De klankgazelle die ik vond hoe zoete zoele kindermond van zeeschuim en van rozen Broes' lippen op mijn lippen. Zijn adem ruikt naar de adem van een kind, naar honing en rozen. "Jij is lief." zegt hij en de kever overrijdt mijn ogen. "Jij ook." zeg ik. Ik houd mijn ogen gesloten. Hij klautert weer naar mijn buik, trekt mijn T-shirt uit mijn rok en parkeert de kever over mijn navel. "Buik is ook lief." Ik lig doodstil. Hij stopt zijn hoofd onder mijn bloesje. Zijn wang tegen mijn borst. "Deze buik ook lief." Dicht bij mijn bonzende hart hoor ik Broes zacht maar snel ademen. "Hoor je mijn hart kloppen?" vraag ik, in een poging geluid te maken en de betovering te breken. Ik zie zijn hoofd knikken in mijn bloes. Ik trek de stof naar omhoog. Zijn zwarte haar op mijn witte huid. "Kom hier mijn kleine minnaar, laten we maar gewoon doen en wat slapen." Hij laat zich in mijn armen trekken. Maar niet zonder auto. Terwijl hij in slaap valt zoek ik verder naar Jan Engelmans woorden: O muze in het morgenlicht O minnares en slank gedicht er is een god verscholen Mijn god ligt in mijn armen, zijn wimpers trillend, zijn mond lichtjes open. De kever is van mijn ribben gerold. Zijn ene hand ligt op mijn keel, de andere beschermend tussen zijn beentjes. Als Bruno Broes komt halen is er weer geen tijd. Misschien maar goed. Ik wil niets over Vera horen. Ik wil nog eventjes net doen alsof zij mijn mannen zijn. Broes verhuist van mijn arm naar de arm van zijn vader. Vandaar geeft hij me nog een kus. De kever rijdt over mijn oor. Ik kus mijn grote broer, mijn held, mijn diep verdriet, en ik schuur even kort langs zijn wang. Pas als de auto de straat uit rijdt, schieten de laatste regels van het gedicht mij te binnen. violen vlagen op het mos elysium, de vlinders los en duizendjarig dolen Antwerpen, 21 mei 1995 Christine Van Den Hove Aveyron (c) 1995 Christine Van den Hove 1. Het liefst van al zou ik hem wakker willen maken. Samen in het donker de tent uit kruipen, hand in hand de weide oversteken en ergens langs de bosrand een nachtplas doen. Hij rechtstaand, wat wiebelend van de slaap. Ik hurkend, luisterend naar hoe het geluid van onze beekjes zich mengt met het zacht klotsende geruis van de rivier, en het krakende gefluister van takken en bladeren. Daarna langzaam terugslenteren naar de tent, een T-shirt of een sweater aantrekken, een droge handdoek op een stoel of op de grond leggen en onze oren spitsen. Dichtbij het nerveus getrippel en af en toe het vreemde gekrijs van relmuizen tussen de struiken of op het bosweggetje. Ver weg een uil die we wel nooit te zien zullen krijgen. Nog wat wachten tot het lichter wordt, de hemel minder zwart en de sterren bleker. Als de vogels opgewonden beginnen te kwetteren. Luisteren en naar de hemel kijken. Hij zal zeggen: - Kijk, zie je die vijf sterren die samen een steelpannetje vormen? Dat is de grote beer. Ik zal knikken en hij zal de melkweg aanwijzen, terwijl de hemel één grote melkplas is. Nergens anders zag ik meer sterren. Geen beginnen aan om ze te tellen. - Dat komt omdat hier nergens anders licht brandt, zal hij zeggen. Zelfs in een heldere nacht zie je in de stad nauwelijks sterren. En ik zal niet zeggen: - Dat heb je mij al verteld. Of, wat ongeduldig: - Ik weet dat wel. Ik zal niets zeggen. Ik zal zijn hand vasthouden of mijn hoofd op zijn schouder leggen. We zouden recht kunnen staan en naar het plateau kunnen klimmen. Tegen dat we boven zijn komt de zon misschien op en hebben we het warm genoeg om onze T- shirts terug uit te trekken en de eerste zonnestralen op onze huid te vangen. Eerste stralen die, zoals het eerste zog, de bodem leggen voor een leven. Op het plateau de randen verkennen en de bergen groeten met hun donkergroene, kromme ruggen en hun grijsbruine, rotsige wanden. Door het enkelhoge, harde, nog natte gras lopen er voor oplettend dat we niet op de zilverdistels trappen, met hun geelbruine harten wijdopen en hun spitse bloembladen wellustig over de aarde gestrekt. Op de terugweg een ruiker plukken. Zullen we het in de paarse tonen houden of in de gele? Hij zal zeggen: - Wacht jij hier. Ik ga wel. Je zal je benen schrammen. En: Heb je die al? En die? en die? Ik zal mijn hoofd schudden en de bloemen die hij mij aanreikt bij de tientallen anderen voegen. Later op de dag zullen we de stelen snijden, samenbinden en het boeket omgekeerd te drogen hangen. Een vleugje Aveyron om mee te nemen naar huis. Neen, in het donker durf ik het plateau niet op. Niet dat ik bang ben van de relmuizen. Maar ik schrik nog steeds van hagedissen en padden. Stel dat ik er op eentje trap? En wie weet? Wat zit hier nog voor dieren? Misschien wel wilde varkens. Ik zal hem laten slapen. Over een uur of vijf worden we wakker van de warmte. Nu ril ik nog. Laat ik maar wat aantrekken en tegen hem aankruipen. 2. De zon heeft ons de tent uitgejaagd. Maar buiten is ze nog mild. Een beetje slaapdronken nog loop ik naar de toiletten. Het zijn Franse. Het is altijd wennen aan het hurken. Het waterblok dat zich het dichtst bij onze weide bevindt is het meest primitieve. In het begin twijfel ik soms aan de richting waarin ik moet zitten. Maar na een paar dagen voel ik me weer dichter bij de aarde. Teruggeven wat ik gekregen heb. De andere wasplaatsen zijn wat comfortabeler, wat mooier geschilderd en met de vertrouwde toiletten. Nergens electriciteit en alleen warm water als de zon lang genoeg geschenen heeft. Maar het is overal rein. Mensen die bloot lopen zorgen vanzelf dat hun omgeving proper blijft. Een oudere man neemt spartaans een douche. Het water loopt in straaltjes van zijn donkerbruine huid, zijn rechte rug, zijn magere benen. Druppels in zijn grijze baard. Ik heb er de moed niet toe en was me voorzichtig met het washandje. Het is stil. Het is hier meestal stil. Ook als er meer mensen aan de wasplaats zijn. En ook als het bijna allemaal Hollanders zijn. Buiten rond de plasjes die overbleven na de dagelijkse poetsbeurt van het primitieve gebouwtje fladderen kleine lichtblauwe vlinders. Als ik er naast ga staan beginnen ze rond mij te cirkelen. Eentje komt op mijn arm zitten. En eentje op mijn tepel. Ik probeer voorzichtig verder te wandelen, maar de vlinders willen niet mee. Ton heeft koffie gezet volgens het vaste ritueel. Water koken in de koffiepot, overgieten in de thermosfles. Opgieten in de koffiepot. De kunst is net dat beetje teveel water te koken, zodat na al dat heen en weer gieten er precies genoeg koffie is om de thermosfles tot de rand te vullen. Hoog op de weg langs de bergwand klinkt een iets te lang aangehouden claxon. Dat moet de bakker zijn. Ik haal mijn portemonnee uit de tent en wandel naar de ingang van camping, drie grote weiden verder. De tenten en carravans staan langs de kant opgesteld, met veel ruimte ertussen. Mensen die nog bezig zijn met ontwaken of al genieten van een uitgebreid ontbijt. Aan de camionette staat een lange rij. Allemaal bloot en de meesten met een portemonnee in de hand en sommigen met een boodschappentas. Het kan nog net, vind ik. In de supperettes van de meeste naturistencampings stoort het mij. Ik voel nu nog iets van gène voor de bakkerin. Maar ze schijnt het gewoon te zijn. Ze heeft vier, vijf soorten brood mee en allerlei streekgebak. Ik kies een baguette en een feuilleté met Roquefort. "Ca se mange comme entrée," licht ze toe. Ik knik. Het zal wel uit het vuistje worden, laat in de middag, met een slok landwijn. De fransen koken ook op de camping uitgebreid. Ze houden van entrées en desserts en niet te vergeten de kaas tussenin. En de Hollanders doen het ook in stijl, met aperitief en wijn. Wij hebben geen kookpotten bij. Vanavond is het Baldy. En vanmiddag is het nietsdoen. Lezen of wandelen of gewoon wat kijken naar de bergwanden om ons heen of de insekten in het gras. Geen uitstapjes dit jaar. We hebben maar een paar dagen. Er is anders nog veel te zien. Overblijfselen van de Tempelierstijd vind je in het ene dorp al meer dan in het andere. Namen als La Cavalerie en L' Hospitalet Du Larzac spreken tot mijn met geschiedenislessen gestoffeerde verbeelding. Een gehucht als La Couvertoirade leent zich zonder veel verandering voor een film uit die tijd. En de dorpen waar minder geschiedenis te reconstrueren valt zijn zoals alle dorpen in Frankrijk: aandoenlijk oud en mooi, en slordig. En toch een beetje anders. Is het het spookachtige rotslandschap tussen de gehuchten? Is het het vreemde samengaan van heiligen en heidenen? Sainte Eulalie De Cernon en Saint Jean du Bruel maken evenveel deel uit van een woelig verleden als de menhirs en dolmen en hun druïden. Of de vreemde natuurverschijnselen zoals de Cirque De Navacelles, een gigantisch door een rivier uitgegraven amfitheater, en Montpellier Le Vieux, een met rotsen bezaaid hallucinant grillig gebied? Zijn het de kortharige bleke schapen die hier in uitdijende kuddes de bergwanden afgrazen om 's avonds hun melk in te leveren voor de beroemde Roquefort, maar die je slechts hoogst zelden te zien krijgt? Of is het hier zo vreemd rustig omdat er veel minder toeristen zijn? Of zijn de toeristen, onder de indruk van dat alles, veel rustiger? Ton kan in ieder geval zijn landgenoten op de camping weer appreciëren. Ze praten minder hard. Als er al eens een aperitief, een soupe au pistou of een vertel-avond wordt georganiseerd gaat het er gemoedelijk aan toe. Tegen de late namiddag gaan we zwemmen. Het bronwater in het kleine zwembad heeft dan een temperatuur bereikt die voor luie zwemmers als wij nog net behaaglijk is. Kinderen duiken en springen zich warm. Wij zoeken de zonrijkste kant van het zwembad op. En dan drogen in een warme, bijna ondergaande zon. Op dit uur voel ik haar het liefst op mijn blote huid. Maar minuut op minuut verlegt ze haar schaduwen en trekt ze zich onherroepelijk terug achter de bergen. Tijd dus om wat kleding bij elkaar te rapen. Oorbellen en een potloodstreepje onder mijn ogen: meer versiering hoeft niet. Ik zie er vanzelf feestelijk uit. Vanvond is het Baldy. 3. Vanaf Le Pas De Ceilhes naar het dorp Fondamente is het negen kilometer dalen. We rijden langs dichtbegroeide rotswanden, dan weer langs onmetelijke graasweiden en graanvelden, door de gehuchten Tournadous en Montpaon die meer van erven weg hebben dan van dorpen. In het dal ligt een spoorweg en een rivier en een handvol huizen. Op het ene kruispunt dat het dorp in vieren verdeelt ligt ook het enige hotel-restaurant. Baldy, de eerste keer deed de naam mij aan een circus denken. Nu maakt het woord deel uit van onze woordenschat telkens als we het over culinaire aangelegenheden hebben. Verwarmde borden zijn "Baldy", net zoals ander bestek voor elke schotel, stoffen tafellakens en servetten, maar ook tafelwijn à volonté, drie vier soorten groenten bij de hoofdschotel en desserts die er eigenlijk niet meer bij kunnen maar onweerstaanbaar zijn. Al onze -zij het niet zo vaak voorkomende- bezoeken aan meestal eerder bescheiden restaurants worden getoetst aan Baldy. In al zijn eenvoud is Baldy het middelpunt van onze culinaire wereld geworden. De inkom geeft weinig prijs van wat er te verwachten valt. Het lijkt meer op een doordeweeks café. Een toog waarachter de obligate flessen pastis. Een kleine standaard met ansichtkaarten. De gele asbakken van Ricard. Een oudere vrouw en een jongere. Beiden met schort. Ze knikken wat afstandelijk en toch vriendelijk. We dralen wat in het café, wachten op Cathy Baldy die ons dezelfde tafel als gisteren zal aanwijzen. Dadelijk zal ze uit de keuken komen. Boven de deur, waardoor we een beetje inkijk krijgen in het terrein van Mevrouw Baldy, Cathy's moeder, hangt een vergeelde foto van de gevel. Aout 1913. Het huis is nauwelijks veranderd. Tot onze opluchting was het huis van de binnenkant ook niets veranderd sinds de laatste keer dat we hier waren, een jaar of drie geleden. - We hebben ook geen plannen in die richting, verzekert mevrouw Baldy mij, de zaal moet blijven zoals ze is. Ooit was er sprake van een deur naar de tuin, maar het kan niet, zegt ze. We knikken instemmend. Hoe aantrekkelijk de tuin er door de horren in de openstaande vensters ook uitziet, een deur zou het geheel aantasten. Een gat in de muur kappen zou een einde maken aan de onbeschrijflijke harmonie van de ruimte. Want zo is het . Vanuit het café in de zaal komen is over de grens tussen lelijkheid en schoonheid stappen. De schoonheid van het zaaltje heeft niets te maken met de elementen op zich, maar alles met de som ervan. Haal de meubels weg en biedt ze te koop aan: er zal weinig geld voor worden geboden. Haal de wandschilderingen van de muur en hang ze in een museum: geen mens die er naar komt kijken. De servetten in geweven tergal, de schemerlampen met gehaakte kapjes en goudkleurige stekkers, de goedkope karaffen en de inox schotels: liever niet in mijn uitzet. Maar samen zorgen ze voor een heel bijzondere sfeer. Misschien dwaalt er wel een huisgeest rond die het licht de preciese sterkte en de juiste inval geeft en alle voorwerpen met elkaar laat communiceren. Misschien was het diezelfde huisgeest die tijdens een onweer op een zomeravond in '88 de electriciteit deed uitvallen, zodat de kok aangewezen was op enkel zijn houtvuur in de keuken en wij onze magret de canard aux griottes verplicht bij kaarslicht aten. - Er is toch iets veranderd, zegt Ton. Nu merk ik het ook. De muurschilderingen zijn opgefrist. Ze bladderen niet verder af. Het zijn vergezichten van plaatsen in de buurt: Cantobre, Labadié, Montméjean, Le Doyen De Montpaon ... Namen die naar wijn en kaas smaken. - De plaasteren vlinders zitten er nog steeds op, merk ik op. Terwijl ze ons de kaart geeft, vertelt Cathy niet zonder trots dat de schilderijen dateren van voor de tweede oorlog en dat ze onlangs gerestaureerd werden door een klant. Ik neem de menu du jour à 90 F (vin de table compris). Daarvoor krijg ik een salade met een gevulde lamsborstsnede en als hoofdschotel varkensroti met gebakken girolles, gegratineerde aardappelen, een gevulde tomaat, gestoofde worteltjes en fijngesneden romeinse sla. Op de kaasschotel ontbreekt de Roquefort (spreek uit: rokkefor) niet. Vandaag zijn er voor dessert chocolade gebakjes, twee per persoon. Cathy bakt ze zelf, net zoals de warme abrikozenfuilleté van de dag ervoor en de zandkoekjes bij de vruchtenmousse van de dag erna. En het is haar moeder die de pannekoekjes met Roquefort maakt, de lamszwezeriken, de rivierkreeftjes, de forel, de duifjes, de eend of de tripous. Zij is het ook die alleen kip serveert als er goeie kippen te vinden zijn, die elke dag een andere bereiding van aardappelen bedenkt, die elke schotel voorziet van drie of vier soorten groenten... Sinds monsieur Baldy ziek is, wordt het restaurant volledig gerund door vrouwen: zijn moeder, zijn vrouw en zijn dochters. Er wordt geen haute cuisine opgediend, maar eerlijke grootmoederskost en streekspecialiteiten. En wij genieten. Aan tafel bij Baldy zijn we bereid om alle ruzies van het voorbije jaar te vergeten en elkaar weer verliefd in de ogen te kijken. Aan tafel bij Baldy drinken we vin de Gaillac in hoeveelheden die we in normale omstandigheden niet verdragen. Door de horren dringt een zwoele natte grasgeur naar binnen. Buiten valt de nacht en binnen verstillen de bestekken. Als we het restaurant verlaten vangen we nog een glimp op van de vertraagde activiteiten in de keuken. De weg naar boven brengt ons weer dichter bij de sterren. De Aveyron neemt zijn geheimen mee in het donker en zal ze ook morgen bij dag niet prijsgeven. Antwerpen, 4 oktober 1992 Christine Van Den Hove Tortilla (c) 1995 Christine Van den Hove Het keukentje van het pension Maria Del Carmen was duister en groezelig zoals de rest van het huis. Van buiten was het met zijn minuscule voorhofje van waaruit klimplanten met rozige bloemen de muren beklommen het meest charmante gebouwtje van de dijk maar van binnen werd de toon gezet door kunstbloemen in bruine glazen vazen, foto's van kleinkinderen met ontbrekende melktanden, plastic kanten tafellakens en een monsterachtige kleurentelevisie. Julio zette het toestel aan en nam me mee naar de keuken. Hij plaatste een stoel in een hoek en gebood me te zitten. Tot nu had ik braaf gedaan wat Julio zei, of tenminste wat ik begreep dat hij vroeg. Ik had brood en olijven gekocht in de winkel die hij me aanwees, ik had de wandeling gedaan die hij voor me uitgestippeld had, en in plaats van te liften had ik een taxi genomen naar Alajero. Dat ik 's avonds toch liftend teruggekomen was naar Santiago vertelde ik hem niet. Hij begon aardappelen en uien te schillen. Ik stond recht. - Julio, quiero .... Verder reikte mijn spaans nauwelijks. Ik wees naar het mesje en de aardappelen. Hij wees naar mijn stoel. Ik ging terug zitten. Uit de voorkamer klonk het teleurgestelde Ooooh van een horde voetbalsupporters. Julio verdween even naar de kamer en kwam onmiddellijk terug. Ik hoorde nu een vriendelijke lage vrouwenstem en daarop een melodie die waarschijnlijk het dagelijkse feuilleton inleidde. Ik had de tijd niet om met mijn beperkte woordenschat een nieuwe zin in elkaar te knutselen want Julio begon te zingen. De melodie kwam me vaag bekend voor. Ze deed me denken aan krakende grammofoonplaten en naoorlogse diva's. Zingend ruimde hij de schillen op, haalde hij een pan van het wandrek en goot er een ruime bodem olie in. Hij stak het gaspitje aan en keerde zich naar mij. Zijn lied had blijkbaar de meest geladen strofe bereikt want de keukenactiviteiten moesten even wachten. Hij strekte zijn armen naar mij uit en zong forte met pijn vermengde woorden als "amore" en "corazon". Hij zonk zelfs op één knie, pakte mijn hand, maar stond gauw weer recht want de olie in het pannetje begon te sputteren. Met zijn rug naar mij gekeerd maar nog steeds en nu wat zachter zingend liet hij de aardappelen en de uien in de hete olie glijden. Ik ging naast hem staan en wees naar mijn oog. Hij knikte: ik mocht kijken. Het zingen vertraagde zijn bewegingen. Zijn armen walsten naar het vliegenkastje. Het waren grote ongelijke donkerbruine eieren. Gelegd door een Canarische kip, dacht ik. Ik had op La Gomera nog geen enkele kip gezien. Waarschijnlijk zijn ze geel, dacht ik. Ik stelde me uitvergrote kanarievogels voor. Ik had ook van de hele week nog geen kleine kanarievogels gezien en vroeg me af of de beestjes wel iets met de eilanden te maken hadden. De vijf dooiers in het bord waren ook eilandjes. Oranje eilandjes in een gelige zee met een gebloemde bodem. Tot hij ze met een vork doorprikte en ze openvloeiden. Hij begon te kloppen en zijn lied versnelde. Plots reikte hij mij de vork: ik mocht meedoen. Terwijl ik hem nabootste en kloppend rondjes draaide in het bord strooide hij er zout in. Hij hield het zoutvat voor mijn neus en wees erop: "sal". Dan wees hij op de eieren: "huevos" en naar de pan: "patatas, cebollas, aceite". Hij eindigde met: "todo", en een horizontale streep in de lucht. Dat was alles. Meer mocht er niet in. Ik herhaalde de woorden. Hij lachte zijn gouden hoektand bloot en klopte op zijn borst: - Julio grande professore ... Dan wees hij weer streng naar het bord. Ik moest verder kloppen. De aardappelen en de uien begonnen zoet te ruiken en blijkbaar waren ze gaar genoeg naar zijn zin. Hij schoof ze terug op en bord en goot het teveel aan olie af. Na mijn eimengsel gekeurd te hebben liet hij de groenten er in glijden. Hij begon terug te neurièn. Ik keek naar zijn handen. Oude bruine handen met het witte spoor van een trouwring erin. Ik geloofde niets van zijn verhalen. En nog in het minst over zijn leeftijd. 51, zei hij. Ik deed er 10 jaar bij. Wat deed ik hier met een oude man die er uitzag als een overjaarse gigolo? Waarom liet ik me door hem gidsen op dit eiland? In het begin had ik me veilig gevoeld. Hij was hoffelijk, wel wat bazig maar niet echt opdringerig geweest. De tweede avond had hij me plots zijn liefde verklaard. Hij beschreef mijn lichaam in lange volzinnen waaruit ik alleen de woorden cuerpo, linea, bonito, magnifico... verstond. Ik lachte, schaterde, hoewel gevleid. Hij verbood me te lachen en prees vervolgens zichzelf aan als ernstig, verstandig, eerlijk en vooral specialista in de liefde. Als bewijsstuk voor deze vier eigenschappen haalde hij iets uit zijn achterzak wat ik eerst voor een bruistablet hield maar achteraf een condoom bleek te zijn. Met de weinige woorden waarover ik beschikte bracht ik hem meteen aan het verstand dat er geen sprake kon zijn van enig gemeenschappelijk gebruik van dit voorwerp, terwijl ik nadrukkelijk aan mijn trouwring draaide. Hij respecteerde mijn houding, dacht ik te verstaan en drong niet verder aan. Na deze conversatie bleef ik op mijn hoede. Toch aanvaarde ik zijn voorstel om een tortilla voor mij klaar te maken in het tijdelijk leegstaande pensionnetje, waarvan hij om onduidelijke redenen de sleutel had. Het mengsel was klaar om gebakken te worden en het werd in de sissende olie gegoten. Hij draaide het vuur lager en zette het deksel van een casserole op de pan. Ondertussen sneed hij brood en dekte hij de tafel met twee verschillende borden, twee vorken, twee limonadeglazen, een fles wijn en een schaaltje olijven. Hij haastte zich terug naar de keuken, ik terug achter hem aan. Daar nam hij de pan van het vuur, schudde de omelet heen en weer, liet ze vervolgens op het deksel glijden en keerde ze terug in de pan. Hij nam zelf maar een vierde van de tortilla op zijn bord. Ik kreeg de rest. Toen ik mijn mond afveegde, schoof hij het glas wijn naar mij toe. Ik dronk met kleine slokjes en glimlachte tussendoor naar hem. Toen ik het glas leeg neerzette, stond hij recht, kwam voor mij staan en articuleerde half gebiedend, half smekend: "Y ahora: un beso!". (En nu: een kus!) Ik was van mijn stuk gebracht maar wist precies wat mij te doen stond. - Perdon ... Julio.... Perdon...., prevelde ik, ....Quiero .... solo ... Ik nam mijn tas en mijn op het eiland gekochte strohoedje en haastte mij naar de achterdeur, waarlangs we min of meer stiekem binnengekomen waren. Hij liep achter me aan, maar hield me niet tegen. Hij opende zelfs de deur voor mij. Met kaarsrechte rug en een dramatische kranigheid zei hij: - Adios, Christina. De baai was halfdonker. De maan gaf een gelig licht. Ik klom op het muurtje dat de dijk van het strand scheidde, haalde pen en papier uit mijn tas en noteerde het recept van de tortilla's. Middenpijn (c) 1995 Christine Van den Hove Hij zegt: - Uw cyclus verloopt niet zoals in de boekjes. (Dat weet ik al langer dan vandaag.) - En het sperma van uw man is niet slecht, maar ook niet zo verschrikkelijk goed. - ... - Luister: (Te belerend naar mijn zin.) - U neemt gedurende vijf dagen twee pilletjes. Daarna neemt u twee dagen andere pilletjes. Dan zijn we de dertiende dag. 's Morgens laat u een bloedstaal nemen en 's namiddags komt u naar hier. We nemen een echografie, dat is niks bijzonders, gewoon vaginaal, en u krijgt een spuitje. (Een spuitje!) Hij begint te schrijven en zegt nog: - Vijfhonderd frank. Zonder op te kijken. Ik mag de deur achter mij sluiten. Op straat kijk ik naar de gevels of naar de grond. Onder het rijden probeer ik het onophoudelijk gedruppel uit mijn ogen te deppen met een herenzakdoek. In de lift laat ik ze gewoon lopen en binnen ook terwijl ik door de kamers loop, niet wetend waar te gaan zitten. Ik trek mijn kleren uit, kruip in bed en huil zijn kussen nat. Als ik het doe moet ik straks nog naar de apotheker en vanavond nog de eerste twee pilletjes nemen. In mijn hoofd en in mijn lijf komt een klein leger in opstand. Ze lopen zwijgend door de straten en dragen spandoeken met: - Geen vieze pillen in mijn lijf! - En zeker geen spuiten! - Weg met de echografie! - Laat mijn eisprong met rust! Ik wil niet "onder toezicht" zwanger worden. Een kind krijgen is iets tussen mij en ik en hij. Berchem, 13 april 1989 21 mei, dertiende dag Deze keer gebeurt het links, denk ik. Alsof een vinger in de binnenkant van mijn buikwand priemt. Tien centimeter boven mijn lies en tien centimeter links van het midden van mijn buik. Ik zou een rode stift kunnen nemen en een kruisje zetten. En dan naar de dokter gaan en vragen of het kan kloppen. Of het inderdaad daar gebeurt. - Een eisprong is geen sprong. Het is geen champagnefles die ontkurkt wordt. Dat zei hij de laatste keer. En ook dat er tussen een eisprong en geen eisprong nog tal van mogelijkheden zijn. En als er al een eisprong is, gebeurt het allemaal te traag. Ik keek naar zijn mond en ik wist dat hij sprak. Maar ik hoorde bijna niets. Flarden van zinnen en woorden die soms dichterbij kwamen en dan weer wegdeinden. De bewegingen van zijn mond vertraagden. Ze maakten plaats voor zijn handen die over de tafel gingen. Handen die trage sprongen maakten, zoals de eerste mensen op de maan. De volgende dag verscheurde ik zijn voorschriften en belde ik de eerstkomende afspraak af. - Good luck, zei hij. Alsof we de hoofdpersonages in een soap waren. Als we straks gaan vrijen zal het weer pijn doen. Zijn penis zal in mijn buik poken. En ik zal het gedempt uitschreeuwen. Ergens in de zone tussen verdriet, pijn en genot. En als hij uit mij glijdt, zal ik weer moeten kiezen. Zal ik stil blijven liggen met een kussen onder mijn bekken? Of zal ik rechtstaan en uit gewoonte naar de badkamer gaan? De meeste vrouwen kiezen maar één keer. Een tijdje later zijn ze zwanger en hebben ze niet meer te kiezen. Ik moet elke dag kiezen. Elk uur soms. Ik kies en kies en telkens weer voor een ander leven. Ik zie vrouwen baren op de TV. Liggend op hun rug, vechtend, huilend, schreeuwend, zwetend. En eentje staand. Ik hijg en ik pers mee. En als het kind er uit komt, zie ik dubbel omdat mijn ogen vijvers zijn. Vandaag is het een vinger. Morgen is het een vuist die in één trage beweging tegen mijn buikwand duwt. Ik probeer me voor te stellen wat er gebeurt. Een handje, denk ik. Of zoiets meen ik me te herinneren van de biologielessen op school. Een handje dat een eitje vasthoudt en het op een dag laat vallen. Zomaar. Het spreidt de vingers en het eitje rolt naar binnen. Of het springt als een rubber balletje, plop plop plop. En dan blijft het ergens in een hoekje liggen waar het warm en vochtig is. Ik weet er niets van. Of toch veel te weinig. Morgen haal ik een boek in de bibliotheek. Gezondheidsencyclopedie Voor Het Gezin of Negen maanden blij of Ik Verwacht Een Baby. Ik Verwacht Helemaal Geen Baby. Gisteren zag ik een baby van twee weken en ik voelde niets. Geen verdriet of afgunst, zelfs geen benijden. Voor mij geen baby, dacht ik. Hun tuin had ik wel gewild. En het witte behang. En de gele bloemen. Maar stel, schrik ik een dag later, stel dat het toch gebeurt. Stel dat alles in mijn buik plots vlugger gaat. Zoals een versnelde filmopname van een bloem die opengaat. Een urenlang proces in een paar minuten. Een dagenlang gebeuren in een paar uren. Kleuren die veranderen. Bloed blauw en rood dat organen doet zwellen en krimpen. Een nieuw decor en een gewijzigd scenario. Ik zal het maar weten als er al drie weken voorbij zijn. En heb ik dan nog te kiezen? 22 mei, veertiende dag Ik voel niets. Geen vuist, geen vinger. Misschien is het al gesprongen. Dan heb ik vast prijs. Al beweert de dokter dat ik weinig kans maak. Al heb ik de methode van de koekendoos niet toegepast. Een paar minuten lang overwoog ik te blijven liggen. Dan ben ik op het toilet gaan zitten. Zijn sperma gleed zacht en warm uit mijn buik. Als er een zaadcel moet zijn, heeft hij zijn weg al gevonden, dacht ik. Willem vertelde me van de koekendoos. Volksgeloof, zei hij, en ervaring. Bakerpraatjes, zei mijn man. Een paar keer heb ik het geprobeerd. Kussen onder het bekken, benen naar omhoog. Plat blijven liggen. In slaap vallen en wakker worden met een plakkerig gevoel tussen mijn benen. En nooit echt zeker zijn of ik het wel wil. Zal ik die pillen toch maar halen? Of zoeken we een andere dokter? Laten we het hele idee vergeten! Laten we ons laten steriliseren! En als we dan toch een kind krijgen ... houden we het dan bij één? Als ik kon herbeginnen, zegt Helena, zou ik het niet meer doen. Ze heeft een postnatale depressie. Maar Annelies zegt het ook. Twee vrouwen die het zomaar toegeven. En al die anderen die zwijgen. Als ik kon herbeginnen, zegt mijn moeder, zouden het zaken of kinderen zijn. Maar nooit meer de twee tegelijk. Als mijn moeder kon herbeginnen zou ik er waarschijnlijk niet zijn. De dokter die mijn spiraaltje verwijderde was een vrouw. Ze was zelf zwanger maar ze zag er niet gelukkig uit. Toen ik naar huis reed vroeg ik me af of ik met een buik als die van haar nog wel in mijn autootje zou kunnen. 23 mei, vijftiende dag Het bestaat en het heeft een naam. Middenpijn. Tot mijn verwondering kwam het voor in het boek. Ik had er niets over verwacht want mijn dokter doet of hij me niet hoort als ik het er over heb. Hanna had het ook al meegemaakt bij haar dokter. Ze geloven je niet, meent ze. 24 mei, zestiende dag Middenpijn duurt maar een paar uur. Dat moet de vinger geweest zijn. Nu is het de vuist. Over de vuist wordt niets vermeld in het boek. De vuist duwt de organen onder mijn navel neerwaarts en naar voor. Soms naar links of rechts. Als ik geplast heb lijkt mijn blaas moeizaam en pijnlijk haar oorspronkelijke vorm in te willen nemen. Vroeger noemde ik het een baksteen. Een baksteen in mijn buik, vertelde ik de dokter. Toen wist ik nog minder dan nu. En ook die dokter hielp me niet uit mijn onwetendheid. Hij schreef me witte ovale pilletjes voor, net eitjes. Maar ze hielpen niet. Tenslotte berustte ik en veronderstelde ik dat het gewoon bij mij hoorde. Andere vrouwen hoorde ik er niet over klagen. Tot een half jaar geleden hield ik een kalender bij. Elke cyclus begon met een rood stipje: lichte bloeding. Dan een reeks rode kruisjes: bloeding. Om te eindigen met twee of drie stipjes. Een tijdlang noteerde ik er zelfs alle nevenverschijnselen bij. Voor, tijdens en na. Pijnlijke borsten, pijnlijke tepels, hoofdpijn, vreetbuien, buikpijn, gewichtsveranderingen ... Maar elke maand was anders en ik gaf het op. Nooit een vast patroon. Voorspellen had geen zin. De kalender heb ik weggegooid. Er niet te veel mee bezig zijn, zegden ze. Anders lukt het zeker niet. Dat probeer ik dus. Er NIET mee bezig zijn. Er NIET aan denken. Probeer maar eens ergens NIET aan te denken. Probeer dan aan andere dingen te denken. Ik stort me op mijn werk en op een nieuwe studie, ik lees boeken, ik kijk films, ik wandel in het park en ik schrijf. Maar op mijn werk loopt zowat de helft van het personeel zwanger rond, in boeken en films worden voortdurend kinderen geboren en in het park worden kinderwagens voortgeduwd. In mijn verhalen hebben alle vrouwen verdriet. Bovendien speelt mijn lijf nu voor kalender. De vinger priemt en zegt: hier en nu gebeurt het. Nu moet er gevrijd worden. Een week later zijn het mijn borsten die zeuren: het is wéér niet gelukt. Ik geloof het maar als ik het nog een week later rood op wit bewezen zie. 25 mei, zeventiende dag Met Maya geluncht. - Niet te lang wachten, vindt Maya Een jonge moeder is altijd beter volgens haar. - Ik ben niet meer jong, antwoord ik. Ze lacht. Ze vindt mij jong. Ze weet niet hoe oud ik mij soms voel. Zij heeft kinderen. Twee intelligente creatieve zonen. Knap om te zien en onderhoudend om mee te praten. Geen puisterige, achterdochtige of opstandige pubers, maar open karakters vol leven. Schuttingtaal waar je soms hoorndol van wordt en een aandoenlijke bemoeizucht met het huishouden en met hun moeders kapsel en kleren. Groen van afgunst word ik, als ik ze bezig zie. Heeft Maya geluk gehad? Of is zij de ideale moeder? - Jij wordt vast ook een goede moeder, meent ze, omdat ik met haar kinderen overweg kan. Nogal moeilijk met die twee. Als ik kon intekenen voor een kopie deed ik het meteen. Maar wie weet waarmee ik opgezadeld word. Een even onrustig schepsel als ik erbij? Laat het asjeblief op zijn bedaarde vader lijken. Als het maar geen neo-nazi wordt. - Dan schop ik hem eruit, zegt hij. Ik voel mijn moederinstinct al in opstand komen. Zondag 28 mei, twintigste dag Lieve is hoogzwanger. Je kan niet naast haar buik kijken. Haar armen en benen zijn slank en elegant gebleven, haar gezicht fijn en haar blik oplettend. Ik vind Lieve mooi. Ik zou haar als een ballon opbollende buik onder haar roze-rode jurk willen aanraken, verkennen. Maar ik durf alleen maar kijken. De stof van haar jurk is dun en ik hou de gladde koepel gespannen in het oog. Heel eventjes meen ik een beweging te zien. Meer niet. Ze was het eigenlijk nog niet van plan, voelde zich nog niet klaar. Nam pil. Eén keer er te laat aan gedacht om nieuwe te halen. Zwanger. - Wat voelde je toen? vraag ik. Want dat durf ik ook: vragen. - Ik was gewoon zwanger, antwoordt ze schouderophalend, en de rest is gegroeid. Ik vraag me af hoe de rest heet: blijdschap? berusting? Ik weet niet of ik haar benijd. De rust die ze uitstraalt benijd ik wel. Maandag 28 mei, éénentwintigste dag Een naald uit een hooiberg, vertel ik de andere vrouwen van de groep waarvan ik gedurende een paar dagen deel uit maak. Gezocht en gevonden. Hij repareert mijn sokken, kookt en strijkt. En 's avonds stopt hij me in bed als een vader. Hij is een anker en ik ben een schip, gedragen door woelig water. Hoor mij opscheppen. Hou op, denk ik, hou op. Straks geloven ze je niet langer. En als ze je wel geloven, kwel ze dan niet. Maar ik blijf hem in alle tonen bezingen. En 24 uren later sta ik in de keuken te huilen. Kwaad, omdat hij zo verschrikkelijk aardig is dat hij alle initiatief aan mij over laat. Vol schuldgevoelens omdat ik in vergelijking met hen niet eens mag klagen. Ook al begint hij niet aan de dringende opknapbeurt van het appartement, komt hij niet met vakantieplannen, begint zijn bureau op een stort te lijken, weigert hij nieuwe kleren te kopen, laat hij de scheur in de venster van de slaapkamer voor wat ze is, brengt hij nooit bloemen of geschenkjes mee en denkt er niet aan mij te verleiden. Dat laatste moet van beide kanten komen, vindt hij. En voor de rest moet ik hem maar aanporren en accepteren dat initiatief nemen mijn rol is. Ik besef plots dat het anker af en toe binnengehaald moet worden en het schip moet varen. Als hij tabak gaat halen in de krantenwinkel op de hoek, wordt ik ongerust. Je hoort wel eens van mannen die om sigaretten gaan en nooit meer terugkomen. Weg of dood. Overreden of een hartaanval. Politie aan de deur. - Woont hier mijnheer A.B.? - Ja, mijnheer de agent, kom toch binnen, hij is meteen terug, even om sigaretten ... - Neen, mevrouw, hij is om zeep. De enige mop die ik mijn hele leven heb onthouden. Om het macabere eerder, dan om de humor. Maar hij komt terug. En tegen de tijd dat hij de sleutel heeft omgedraaid is mijn opluchting over en trek ik weer een boos gezicht. Een kind hebben zal hem veranderen, denk ik tegen beter weten in. Er komt trouwens geen kind. Mijn buik houdt zich gedeisd. Het boek zegt dat er nu onder invloed van progesteron een slijmvlieslaag gevormd wordt om het eventueel bevruchte eitje in te nestelen. Ik zie vogels in mijn buik heen en weer vliegen en druk bouwen aan een nest. Ze brengen rode, blauwe en zwarte draadjes aan. Oestrogenen en progesteron komen en gaan als getijden. Het is eb nu. Over tien dagen is het vloed. Of misschien niet. Mijn lijf is het water en mijn hoofd het schip. En hij het anker. Het veilige anker. Het loodzware, soms moeilijk op te halen anker. Donderdag 1 juni, vijfentwintigste dag Ik heb een beha aangetrokken want mijn borsten vragen uitdrukkelijk om ondersteuning. Gisteren vermoedde ik al dat we stilaan zover waren. Maar ik dacht: het is nog te vroeg, ik ben er te veel mee bezig en ik begin dingen te voelen die er niet zijn. Vanmorgen voelde ik het dan toch, toen ik nog in bed lag. Ik ging op mijn rug liggen en begon ze te betasten zoals dat in foldertjes in wachtzalen van dokters sterk aanbevolen wordt. Ik voelde zoveel oneffenheden dat ik er mee ophield voor ik echt bang werd. Toen ik rechtstond was het overduidelijk. Mijn borsten waren er. Alsof ze nieuw waren, pas aangehecht. Alsof mijn lijf zich plots geen raad meer wist met deze ongewone aanhangsels. Ik pakte ze dus in, stopte ze elk apart in een zakje en hing de boel netjes op een aanvaardbare hoogte door de bandjes te verstellen en de haakjes te sluiten. Volgens het boek wijzen pijnlijke borsten op het premenstrueel syndroom. Volgens het boek kan het net zo goed een symptoom van een beginnende zwangerschap zijn. Zaterdag 3 juni, zevenentwintigste dag Probleemloos door je menstruatie! Een titel op de voorpagina van één of ander damesblad. Waar bemoeien ze zich mee? Het hoeft voor mij niet eens probleemloos. Ik wil weten wat er gebeurt. Ik leef in mijn lijf. Ik kan er door wandelen als door een huis met een ontelbaar aantal gangen en kamers. Onrustig ben ik nu. Als een kip die een ei moet leggen. Om even te ontsnappen aan de drang om duizend dingen tegelijk te doen: schrijven, lezen, telefoneren, poetsen, strijken, koken en met hem praten, licht ik het anker en stuur ik het schip richting Weens Koffiehuis zodat ik verplicht ben me bij het laatste te houden. Maar de truc helpt niet echt. Ik drink mijn kannetje koffie veel te snel leeg, slik te grote happen van mijn sachertorte door en spring ondertussen van de hak op de tak. Ik voel een kanjer van een huilbui opkomen, een stortregen. Vertwijfeld kijk ik naar mijn servet dat er niet toereikend uitziet. Niet hier, denk ik, niet tussen deze dames en heren. Het is er verschrikkelijk deftig. Misschien zetten ze mij er uit. Ik slik verwoed en het gaat over als een onweer dat even gedreigd heeft maar uiteindelijk ergens anders is gaan donderen. Alleen mijn rechteroog traant een beetje. Dat functioneert wel vaker als overloop. Woensdag 7 juni, éénendertigste dag Nog een paar uren, denk ik, na een eerste vage kramp. Het duurt zelfs geen uur. Ik sta recht en er vloeit iets uit mijn lichaam. Het is warm en zacht en het wordt nog even vastgehouden door mijn schaamlippen. Voorzichtig schuifel ik naar de WC. Het eerste bloed is dun en roze. Tegen vanavond zal het donkerder zijn. Morgen dik en bijna zwart. Soms zijn het heldere slijmerige bellen, dan weer donkerrode vlokken die ik minutenlang onderzoek. Misschien zit er wel een klein foetusje tussen? Ik installeer mijn verzameling tampons en maandverbanden in het toilet. Ik heb er in alle maten en kleuren. Als hij straks thuis komt weet hij meteen hoe laat het is. Hoef ik het hem niet te vertellen. Als alle rituelen verricht zijn ga ik op bed liggen. Ik probeer de gebeurtenissen in mijn buik te lokaliseren. De af- en aanrollende golven worden steeds groter en wilder. Ik kijk neer op de pijn. Wat is buikpijn vergeleken met het gevecht dat ik voer? Mijn gevoelens laten zich met tegenzin verkennen. Als ik me op mijn rechterzijde draai, loopt er een traan uit mijn oog. Het overloopoog. Ik droom dat ik een reuzeschildpad ontmoet op een feestje bij vrienden. Ik adopteer haar en neem haar overal mee in een speciaal daartoe bestemd bad. Soms kruip ik bij haar in bad en knuffel ik haar. Op een dag laat ik haar achter op het strand. Als ik terugkom hangt ze aan een wasdraad boven het bad. Met veel moeite haal ik haar eraf. Ik voel me schuldig omdat ik haar verwaarloosd heb.Tenslotte vermoord ik haar door haar op haar rug te leggen. La Jamais Contente (c) 1995 Christine Van den Hove Haar hoed was het enige bijzondere aan haar, bedacht Adriaan. Hij zette een stap opzij. Die rijglaarsjes waren ook niet mis. Als hij met haar naar bed zou gaan, zou hij vragen om hoed en laarsjes aan te houden. Daartussen een wit en onvertrouwd lichaam. Het gezicht ... moeilijk te zien ... hij zou wat dichter bij moeten gaan staan. Adriaan keek over zijn rechterschouder naar achter en telde de bezoekers. Het kerkhof was minder rustig dan anders. Er liepen mensen achter reusachtige gele chrysanten aan. En er waren nu ook mannen en kinderen bij. Meestal waren er alleen de oudere vrouwen, met hun gieters en schoffels in de weer. En dan zij. De laatste drie, vier keren, was zij er altijd geweest. Wat doe ik hier ?,vroeg hij zich af. Ik sta hier aan seks te denken, antwoordde hij zelf. Tania beweerde dat hij niet genoeg aan seks dacht. Wat weet zij ervan?, dacht hij, de laatste tijd dacht hij steeds vaker aan seks. Net zoals nu. Hij dacht er aan, maar als aan iets buiten hem, iets wat mensen doen en hij soms ook, maar terwijl hij er aan dacht scheen het niets met hem en zijn lichaam te maken hebben. Hij dacht aan seks met die vrouw in het zwart, met haar hoed en haar laarzen, maar alsof iemand anders, misschien een dubbelganger van hem het zou moeten doen, terwijl hij zou observeren. Het wond hem niet eens op. Hij keek op zijn horloge. Ze stond al minstens tien minuten bij dat ene grafmonument. Een soort obelisk, een fallus, er zal wel een man onder liggen. Hij stapte tussen de grafstenen door in haar richting. Het ging als vanzelf. Hij hoefde zich niet af te vragen of het wel verstandig was wat hij deed. "Is dit familie van u?" Hij wees naar naar het blok. Ze draaide haar hoofd in zijn richting. De hoed maakte haar inderdaad bijzonder. Vrouwen van haar leeftijd -ze moest een jaar of veertig zijn- droegen tegenwoordig geen hoeden. Nochtans stond hij haar goed. De rand lag schuin over haar voorhoofd en liet langs één kant wat rossig haar vrij. Haar gezicht was wit en strak en het donker van haar ogen leek van heel diep te komen. Ze keek hem een paar seconden aan en schudde toen langzaam haar hoofd heen en weer. "Neen, zei ze, of toch ... in zekere zin ..... misschien ..... vrees ik." Ze keek naar het graf alsof vandaar uitsluitsel moest komen. Hij keek mee in dezelfde richting. "Camille Jenatzy, geboren in 1868, gestorven als hij ... vijfendertig was", rekende hij hardop uit. " in een jachtongeval.", voegde zij er aan toe. "Hoe weet u dat ?", vroeg hij, verbaasd over haar en ook over zichzelf. "Uit De Geschiedenis van de Belgische Auto." Hij viel zonder woorden en ze vervolgde docerend: " Jenatzy was de man die als eerste in de geschiedenis honderd km per uur haalde met een auto." "Waarom is dat zo belangrijk voor u ?" "Dat is niet belangrijk voor mij. Het gaat om de auto, om de naam van de auto." "De naam van de auto ?" "La Jamais Contente. Naar het schijnt, noemde hij haar zo naar zijn vrouw." "Zo ... grappig .... interessant ..." "Interessant misschien, maar niet grappig. Begrijpt u het drama dan niet ? Natuurlijk niet, want u bent een man." "Als u mij wat meer vertelt, zal ik het misschien begrijpen." "Ik kan u niet meer vertellen, want ik weet er niet meer van." Haar stem klonk lichtjes ongeduldig. "Kunt u zich echt niet indenken hoe het moet geweest zijn om door je man La Jamais Contente genoemd te worden en dan nog in het openbaar?" "Maar misschien was het helemaal niet slecht bedoeld?" Ze zweeg en leek na te denken. Er vormden zich drie verticale rimpeltjes tussen haar wenkbrauwen. Dan ontspande haar gezicht. Voor het eerst keek ze hem echt aan. "Toen ik dit verhaal hoorde", ze haperde wat, "stond ik op deze plaats tussen een groepje mensen naar een gids te luisteren. Terwijl hij die woorden uitsprak -La Jamais Contente, die verschrikkelijke, harteloze bijnaam -voelde ik plots een immens verdriet dat uit de aarde leek te komen en door mijn schoenen in mijn buik trok." Hij liet haar uitleg, die hem op een bekentenis leek even bezinken. "Ligt zij hier dan ook ?" Op het grafmonument stonden verschillende namen, waaronder twee vrouwennamen. Hij las ze hardop. "Neen, dat zijn zijn moeder en hun dochter, denk ik. Zij heette Marie Lamaye, Dame Marie Lamaye. Ik weet niet waar zij ligt. Dat heeft trouwens geen belang." Hij negeerde het toenemende ongeduld in haar woorden. "Wat heeft dan wel belang?" "Het verdriet, het voelen, het toelaten van verdriet in je lichaam, rouwen." Het ongeduld ging over in iets zachters, iets milds in haar stem. "Vroeger kwam ik hier om monumenten te bestuderen, geschiedenis te leren, beeldhouwers, architecten of stijlen te herkennen. Nu kom ik om te rouwen. Daar zijn begraafplaatsen voor." Adriaan zweeg en keek de andere kant op. Hij had het nodig om weg te kijken, taferelen te zien, kleuren te registreren, een overzicht over het kerkhof te hebben. Alsof ze te dichtbij was gekomen, gevaarlijk dichtbij. Hij kon niet helder denken en zich zelfs niet afvragen hoe hij in dit bizarre gesprek verzeild was geraakt. Hij wou zich alleen van de omgeving vergewissen, voelen dat hij nog voet aan de grond had. "Ik weet niet waarom ik hier kom." Terwijl hij dit zei, keerde hij zich weer in haar richting. "Sinds een paar maanden voel ik vaak een bijna onbedwingbare drang om naar hier te komen." Hij zei er niet bij: sinds het met Tania niet meer schijnt te lukken, na elke ruzie met haar die onveranderlijk in bed begint. "Maar rouwen .... ik zou niet weten waarover ik moet rouwen. Er is niemand dood." Ze opende haar mond om iets te zeggen, maar bedacht zich. Dan keek ze hem fronsend aan, alsof ze zich plots afvroeg wie hij was en waarom ze met hem in een gesprek verwikkeld was. Ze deed een pas achterwaarts en zei wat gegeneerd: "Wel, tot ziens dan maar." En omdat hij duidelijk geen aanstalten maakte om weg te gaan, keerde ze zich om en liep ze zelf in de richting van het middenpad. "Wacht !" riep hij, haar bijbenend,"Waarover rouwt u dan?" "U bent wel erg nieuwsgierig!", antwoordde ze duidelijk achterdochtig. "Nieuwsgierigheid is een teken van een gezonde geest." antwoordde hij. En hij realiseerde zich dat zij hem geen enkel vraag had gesteld. "Bent u dan niet nieuwsgierig?" vroeg hij. "Vandaag niet." klonk het kort. "U rouwt." "Ja, en wilt u mij nu met rust laten?" "Mag ik dan niet weten waarom u rouwt? Hebt u iemand verloren?" Ze zweeg maar ze bleef staan. Dan klonk het, alsof praten haar moeite kostte: "Een vriendin." "O ... en ... waaraan is ze gestorven?" Voor het eerst aarzelde hij en vroeg hij zich af of hij niet overdreef. "Ze is niet dood. Ze beantwoordt alleen mijn brieven niet meer en ze wil ook over de telefoon niet met mij praten." Ze leek over de haag van het kerkhof te kijken. Haar ogen glansden. Is ze zo ? vroeg Adriaan zich af. Het beeld van het naakte lichaam met hoed en laarzen kwam terug. Het leek nog witter en killer. Maar het gezicht .... . Hij stond nu vlak bij haar. Hij kende haar nu en stuurde het beeld weg. Seks is hier niet op zijn plaats, dacht hij. Maar tegelijkertijd scheen het hem toe dat het niet over seks ging. Hij raakte in de war en de enige manier om niet verloren te lopen in zijn eigen gedachten leek hem te praten. "Heeft ze daar dan een reden toe?" "Ik weet het niet. Ik begrijp er niets van. Ik hou van haar en dat weet ze maar ik voel dat ik haar kwijt ben ." "Ach, zei hij, ze komt wel terug. Vrouwen zijn zo onvoorspelbaar. De ene keer zeggen ze dit en de andere keer dat ..." Hij stokte op haar boze blik. "Ja natuurlijk ... wat stom van mij ... u bent ook een vrouw." Ze keek nog bozer. Hij voelde zich hopeloos verstrikt in zijn eigen constructies. "Ekskuzeer " "Waar bemoeit u zich eigenlijk mee ?" Ze stapte met gemeten passen het pad af. Ik moet dit goedmaken, dacht hij. "Mevrouw! Eh ... het spijt mij. Ik wil niet onbeleefd of opdringerig zijn. Maar ...." Ik voel me op één of andere vreemde manier ongelooflijk tot u aangetrokken, wou hij zeggen. Hij slikte het in. "Ik bedoel, probeerde hij opnieuw, een relatie die stuk gaat , of het nu tussen en man en een vrouw, of een vrouw en een vrouw, of een man en een man gaat, het doet altijd pijn." Hij vond van zichzelf dat hij erg ruimdenkend klonk. "Het is niet wat u denkt, zei ze, het gaat over mijn vriendin, over vriendschap in de meest gewone betekenis van het woord." "Vriendschap" Hij proefde het woord als iets van lang geleden. Zijn mond vulde zich met speeksel, maar zijn keel schroefde dicht. Wanneer had hij nog een vriend gehad, of een vriendin, in die zogenaamde meest gewone betekenis van het woord? In zijn borst klom een zwaar gevoel. Wat heb ik toch? vroeg hij zich af. En het antwoord schoof zich naar voren: droefheid. Het woord spelde zich zelf op zijn netvlies en bleef daar staan. Ze liep niet langer weg, maar keek hem onderzoekend aan. "Gaat het ?" vroeg ze. Was het dan zo aan hem te zien? En wat was er te zien? Adriaan begreep er hoe langer hoe minder van. Tijd om uit deze droom te stappen, dacht hij en hij probeerde zich te herinneren waar zijn auto stond. Maar nu was zij het die begon: "Ziet u, hiervoor kom ik. Om te voelen. Elke keer rouw ik om iets anders en soms rouw ik bij elk graf om iets anders. Om grote en kleine dingen. Om Sarajevo of Somalië, om mijn moeder of mijn vader, om het kind dat ik te weinig was en het kind dat ik nooit had, om de eerste, de tweede en alle wereldoorlogen, om gemiste kansen en om het onbegrip van minnaars of echtgenoten, om de dood van een oude grootoom en van een bewonderde schrijfster, en om de leegte die ik soms voel." Adriaan zweeg omdat er niets meer te zeggen was. Haar lichaam was dichtbij en straalde warmte uit. Hij had haar bij haar armen willen nemen en tegen zich aan drukken, zijn hoofd op haar schouder willen leggen en zijn ogen sluiten. Maar hij bleef staan. Zijn benen voelden loodzwaar aan. De kou uit de aarde scheen door zijn knieën omhoog in zijn lichaam te kruipen. Hij kon niets anders denken dan droefheid ... droefheid ... wat een woord. Haar gezicht ... hij stond zo dicht bij haar, dat hij een minuscule druppel uit haar neus naar haar lip kon zien glijden. Tot zijn verwondering brak er een halve glimlach door. "En dan, zei ze, ga ik naar de uitgang van het kerkhof en met elke stap die ik zet word ik weer vrolijker." En alsof wou bewijzen dat het zo was, liep ze naar het gietijzeren hek, naar hem omkijkend met ogen die "volg mij" zegden. Hij liep achter haar aan en kreeg het weer warm. Plots verlangde hij naar Tania. Niets is verloren, dacht hij. Straks zal ik bloemen kopen. Geen chrysanten, maar wulpse roze rozen. Maar eerst ... zou deze dame koffie van hem willen? Ze wachtte hem op. Ze had kleur gekregen. Ze is mooi, dacht hij, mooier dan verwacht. Hij stak zijn hand uit en stelde zich voor. "Adriaan V." "Elisabeth" gaf ze hem terug. Hoe zou ze zijn zonder die hoed? vroeg hij zich af. november 1993 Vertel mij een verhaal. - Nee. - Waarom niet? - Ik wil neuken. - Dan duurt het langer. - Nee. - Ik wil dat het lang duurt. - Nee. - Hou op, ik wil niet dat je klaarkomt! - O.K. Vertel jij dan een verhaal. - Mmm ... Dan moet ik boven liggen. 2. - Herinner je je die Griek die ons een keertje thuis bracht? - Met zijn Porsche? - Ja, met zijn donkergroene Porsche en zijn gouden hoektanden. We hadden de laatste tram gemist en hij bood ons een lift. Weet je waarom? Omdat ik naar hem keek. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Jij stond te bedenken hoe we thuis konden geraken en ik keek in die auto die naast ons op groen licht stond te wachten. Ik vond hem zo mooi. - Die auto? - Die auto niet, die man. Dat brede tevreden gezicht, die glinstering in zijn mondhoeken, donkere ogen en grijzend, golvend haar. Ik staarde door zijn voorruit en hij glimlachte terug. Even later scheurden we door de stad en voor we fatsoenlijk kennis hadden kunnen maken waren we thuis en verdween hij met zijn Porsche om de hoek. Hij had niet veel gezegd maar genoeg om ons te laten horen dat hij foutloos Nederlands praatte, met een allercharmantst accent. Je moet stil liggen, nu komt het: Vorige week zag ik hem terug. Tenminste: hij zag mij terug. Hij stond op dezelfde plek, opnieuw bij het verkeerslicht op de Groenplaats. Ik stond met mijn rug naar het plein te wachten op tram 8. Hij claxonneerde en ik reageerde eerst niet want in april volstaan een paar blote benen in de stad om voor geluidsoverlast te zorgen. Hij bleef maar toeteren en toen ik hem in de gaten kreeg, liep ik zonder nadenken naar de andere kant van de auto en stapte in. Hij legde meteen zijn hand op mijn knie en vroeg of hij me wat mocht aanbieden. Ik aarzelde niet. Ik vertrouwde die man zomaar. Ik hoorde maar de helft van wat hij vertelde want zijn vingers die de binnenkant van mijn dijen begonnen te strelen leidden me af. Zijn nochtans moeilijke naam onthield ik: Alexander Daskalopulu, en dat hij iets met schepen deed, bevoorrading geloof ik, de rest ontging me. Hij reed naar de kaaien, parkeerde zijn blinkende auto in de buurt van het Zuiderterras en liep voor me uit naar één van de gerestaureerde appartementsgebouwen die op de Schelde uitkijken. We namen de oude lift tot helemaal bovenaan en onderweg raakte hij me niet aan maar bekeek hij me. Eerst keek hij me recht aan, glimlachte lief en liet zijn ogen dan dwalen over mijn borsten, mijn buik en mijn benen. En ik liet me bekijken, ik rechtte mijn schouders, trok mijn buik in en zette mijn benen iets uiteen. Ik was tot alles bereid, ik smolt gewoon. Zijn appartement was heel groot, er waren geen deuren tussen de verschillende vertrekken en er stonden niet veel meubels. Een paar boekenkasten en een kloostertafel vol mappen en papieren en in de ruimte ernaast een monumentaal bed. Ik liep naar het raam want het uitzicht was prachtig. De zon scheen op het water en de linkeroever lag er zo helder bij dat ik het idee kreeg dat ik de overkant kon aanraken. Het grote raam ging wat moeilijk open maar de beloning was groot: zon op mijn gezicht en mijn hals en een zachte wind langs mijn schouders. Alexander bracht mij een glas whisky en een schaaltje gerookte inktvis. Ik nam een paar slokken en leunde naar buiten. Beneden waren de auto?s en de mensen klein maar heel goed te onderscheiden. Ik voelde mij rijk en mooi en vooral machtig: ik kon zoveel zien en niemand zag mij. Toen ik mij wou omdraaien, merkte ik dat Alexander vlak achter mij stond. Hij belette mij een halve draai te maken en dwong mij min of meer over de brede vensterbank te leunen. De whisky maakte me nog gewilliger dan ik al was. Ik zocht naar stevigheid door op mijn onderarmen te steunen en mijn voeten wat uit elkaar te zetten, want ik verwachtte en hoopte, eerlijk gezegd, dat hij in deze positie met mij wou vrijen maar hij was veel minder gehaast dan jij nu. Je moet stil blijven liggen. Hij kuste mijn nek en mijn schouders en liet zijn handen over mijn borsten, buik en heupen glijden. Hij trok mijn jurk naar omhoog en streelde me over mijn broekje, overal. Ik wou het ding zo snel mogelijk uit, maar hij bleef er maar omheen draaien, tot hij met één vinger onder het elastiek ging, alsof zijn wijsvinger de zaak moest verkennen. Tenslotte ging hij met zijn hele hand in mijn broekje en drukte de palm van zijn hand hard tussen mijn benen. Ik gaf tegendruk en schuurde wat heen en weer tot hij een vinger in mij stak, en daarna nog één. Ik had niet heel veel meer nodig maar ik vocht tegen het verlangen naar een orgasme want het was te opwindend om snel voorbij te zijn. Ik opende mijn ogen en keek naar beneden. Op de kaaien werd af en aan gereden, liepen mensen heen en weer en hier stond ik met mijn broekje op mijn voeten en Alexander?s vingers in mijn kut. Ik beeldde me in dat jij daar beneden was en dat je zou zien hoe ik kreunend door het raam hing en hoe je van verbazing zou blijven kijken tot ik klaarkwam. Alexander haalde zijn vingers uit mij en begon het vocht uit te strijken naar mijn holletje. Ik dacht dat hij me daar wou hebben maar het werd weer vingerwerk. Ik voelde niet meer welke vinger waar zat, alleen voelde ik overal strelen en druk en nog strelen en zijn mond in mijn hals en aan mijn oor. Tenslotte was er geen houden meer aan en liet ik de golven komen terwijl ik aan de onderrand van het raam rukte en naar beneden schreeuwde. Toen ik me omdraaide, bereid om Alexander hetzelfde aan te bieden, gaf hij me mijn slipje terug en zei dat het niet hoefde. Ik moest het beschouwen als een geschenk, zei hij. Ik begreep het niet echt maar hij zei dat hij nog een afspraak met een zakenrelatie had en dat hij wat tot zichzelf wou komen. In aangename verwarring verliet ik zijn appartement. En weet je nog dat we woensdagavond verschrikkelijk goed gevrijd hebben? 3. - Mmm.. - O.K. nu kan het ... - Nee - Hoezo nee ? - Nee - Hé komaan, je bent hard ... - Nee - Wat doe je nu? - Het is mijn beurt, jij moet onderaan. - Hé nee, ik ben er nu net klaar voor, neuk me. - Nee 4. - Woensdagmiddag ben ik gaan lunchen op het Zuiderterras. Toen ik van de trappen kwam zag ik jou achter een vreemde man lopen. Je droeg dat nieuwe oranje jurkje en geen kousen. Je was veel te licht gekleed voor de tijd van het jaar. Jullie gingen één van de gerestaureerde appartementsgebouwen binnen en even overwoog ik je te volgen, maar in plaats daarvan ging ik op de onderste treden zitten en opende ik een nieuw pakje sigaretten. Er was ongewoon veel drukte voor dat uur van de dag. Het leek of iedereen buiten wou zijn. Ik ook. Ik had geen zin om terug naar de firma te gaan en ik probeerde een aannemelijk excuus te verzinnen. Ik keek naar het gebouw waar jij binnen was met een man die me niet echt onbekend voorkwam. Ik spiedde elke etage af en toen ik bij het dakvenster kwam, ging het raam net open en herkende ik je oranje jurk. Veel meer kon ik niet zien, je was te veraf. Ik was niet echt wantrouwig. Overal waar je voor het eerst komt, loop je naar het raam, alsof een venster de belangrijkste wanddecoratie is in een kamer. En als het weer het toelaat, open je vervolgens het raam en hang je naar buiten. Zo ken ik je en er was niets aan de hand, jij was gewoon mijn rare meisje. Alleen bleef je heel lang over de vensterbank leunen, alsof je alleen daarvoor gekomen was. Op een bepaald moment hing je helemaal naar voren en leek het of naar beneden schreeuwde. Toen werd ik pas ongerust. Ik stak de straat over, mijn pas versnellend en holde tenslotte het gebouw in. Bij de bovenste bel stond geen naam. De oude lift was bezet en kwam veel te traag naar beneden dus nam ik de trap. Er leek geen einde aan te komen. Mijn hart begon zwaar te bonzen en ik voelde het effect van een pakje Richmond per dag op mijn longen. Tegen de tijd dat ik helemaal boven was, zag ik overal zwarte vlekken. Ik kon nog net een bons op de deur geven en vlak daarna moet ik flauw gevallen zijn. Toen ik bijkwam lag ik op een geweldig groot bed, mijn hemd was opengeknoopt en mijn broek ook. Iemand gaf mij een glas water. Ik vroeg waar jij was en hij vertelde me dat je net de deur uit was. De man stelde zichzelf voor als Joannis Theotokopoulos of zoiets en aan zijn gouden hoektanden herkende ik hem: de Griek met de groene Porsche. Dat hij niet onkende dat je daar geweest was, stelde me op één of andere manier gerust. Hij sprak zacht en wat zangerig en herhaalde steeds weer dat ik rustig moest zijn. Ik werd helemaal slaperig van zijn gebazel en ik sloot mijn ogen. Ik viel niet echt in slaap maar ik voelde mij te loom om zelfs te denken. De Griek bleef fluisteren in een taal die ik niet verstond. Ik voelde zijn koele hand op mijn voorhoofd en daarna op mijn borst en mijn buik. Ik kreeg een erectie maar ik had geen zin om mij ervoor te schamen, integendeel, het was aangenaam en ik liet de opwinding toe. Heel zacht werden mijn kleren uitgetrokken en ik liet hem begaan. Ik wilde geen vragen stellen, ik bedacht dat ik misschien droomde. Een warm lichaam kwam naast mij liggen en een hand sloot zich als een koker om mijn penis. Ik kwam meteen klaar, wat ik jammer vond want ik had nog langer willen genieten. Ik hield mijn ogen gesloten en draaide me op mijn zij. Met het warme lichaam tegen mijn rug viel ik in slaap. Toen ik wakker werd was de zon al uit de kamer. Mijn kleren lagen op een stoel. Ik trok ze aan en liep door het appartement. Er was niemand. Ik liet de deur achter mij dichtvallen en nam de lift naar beneden. Ik herinner me dat jij er die avond bijzonder sexy uitzag. 5. - Je liegt. - Ja ? - Hou op, niet nu. - Wanneer dan wel? - Wacht even. Je hebt dit verhaal verzonnen. - Denk je? - Wacht nog even ! - Heb jij je verhaal dan niet verzonnen? - Natuurlijk wel. - Ik niet. - Je bent gek, dat kan niet. - O nee? Weet je nog hoe opgewonden we die avond waren? - Dat was toevallig. - Toevallig. - Ja, toevallig. Hé, zeg dat het niet waar is. - Het is wel waar. En jouw verhaal ook. - Nee, nee, niet helemaal. - Dus toch een beetje waar. - Een beetje, ja. Ik ben wel bij die Griek geweest, maar ik heb alleen maar door het raam gekeken. - Moet ik dat echt geloven? - Ja en nu jij. Beken maar dat je het verzonnen hebt. - Welnee, integendeel, ik heb nog een deel verzwegen. - Wat? - Ik heb je niet verteld dat ik het heerlijk vond gekust en gestreeld te worden door een man. Een echte man met krullend borsthaar en gouden hoektanden. En dat ik hetzelfde bij hem heb gedaan, dat ik hem gestreeld en gelikt heb. - Plaag me niet. - Ik plaag je niet. - Je plaagt me wel. - Ik plaag je niet. - Wèl. - Niet. - Wèèl ... - Niiet .... - Wel wel wel ... - Niet niet niet ... - Wel. 21 mei 1997 Cap Gris Nez (c) 1995-97 Christine Van den Hove - Dieper kan ik niet, zei hij. Ze glimlachte, om zijn woorden en ook om zich zelf, om de gretigheid waarmee ze zich om hem heen gevouwen had. Hij rolde haar met zich mee tot ze zijdelings naar elkaar lagen te kijken, hun buiken tegen elkaar. - We passen precies. - Natuurlijk, had je anders verwacht ? Hij stootte wat en hield meteen weer op. - Zo kan ik niet klaar komen, fluisterde ze. - Ik wil niet klaarkomen. Hij streelde haar hoofd, zijn vingers kropen door haar haar en trokken eraan. Toen ze later over het bultige, plassige strand liepen herinnerde zich pas hoe het gevoeld had: groot, breed, vrij. - Waarom hebben we dit niet eerder gedaan? vroeg ze. - Omdat de tijd er niet rijp voor was. - We hadden dit 15 jaar geleden kunnen doen. Hij liep voorop, koos de oversteekplaatsen en de beklimbare stukken rots, raapte schelpen, plukte hier en daar een mossel en stak ze in de zak van zijn regenjas. Ze volgde hem op de voet, bijna haastig. Ik wil hem nog niet kwijt, dacht ze, het is te vroeg om afscheid te nemen. Ze trokken weg van het water, naar de wand van de falaise en telden de schepen. - Heb jij het koud? vroeg hij. Ze schudde haar hoofd. De zon schoof heel even vanachter een gerande wolk. - Mijn piemel heeft het koud. Ze lachte en maakte een beweging naar zijn kruis. Maar hij kwam voor haar staan, knoopte haar jeans los, trok één laars en een broekspijp uit en zocht zich een weg tussen haar benen. Hij trok haar jas om hen heen, begroef zijn hoofd in haar hals en bleef zo staan. - Ik wil niet klaarkomen, zei hij weer, ik wil alleen in jou zijn en er blijven. Ze zei niets want ze vond geen woorden. Ik verknal het, dacht ze, ik wil genieten. In plaats daarvan zoek ik naar woorden. Eén woord smeekte ze. Maar de woorden die zich aanboden volstonden niet. Ze waren leeg als de sporen van zandwormen, leeg als dode hoedjesschelpen en gapende mosselen. - Er zijn te weinig woorden, zei ze tenslotte. - Juist, daarom moet je zwijgen. Sluit je ogen en je mond. Hij streek met zijn hand over haar gezicht. Er was alleen nog voelen, ruiken en horen. De branding, zeewier en weekdieren, de koude rotswand en een harde warmte in haar buik, geritsel en geschraap. Ze voelde hoe hij zich dieper in haar duwde en dan zijn vingers nat en zout op haar lippen en iets weeks in haar mond. - Moules parquées, zei hij, zo smaak jij. Ze slikte de mossel in. - Je hebt me nog helemaal niet geproefd. - Toch wel, ik heb smaakpapillen op mijn lul. Ze lachte maar hield haar ogen gesloten. Hij stootte, hield weer op en stootte. Hij plaagde haar. Ze concentreerde zich op een siddering die aanhield en een trilling werd. Hij deed het weer. Het trillen werd sterker. Haar hele lijf sidderde maar ze maakte nauwelijks geluid. Ze blies in zijn oor en opende haar ogen. - Ik zie Engeland, zei ze. - En ik heb jou gezien. Je bent mooi als je geniet. - Alleen dan? - Vooral dan. Aan tafel kreeg ze geen zeevrucht naar binnen. Straks is het gedaan, dacht ze. En duurt het weer vijftien jaar. Ze probeerde hem en zichzelf vijftien jaar ouder te geven maar ze kon zich daar niets bij voorstellen. Ze voelde ze zich nog steeds zoals lang geleden. Hij rekende de kamer en de maaltijd af en legde uit dat ze heel vroeg wilden vertrekken. Hij had het allemaal gepland, dacht ze, toen ze hem de franse biljetten zag neertellen. Het was helemaal geen ingeving geweest. Het is maar twee uur rijden, had hij gezegd. Laten we het NU doen. Ze liep naar de kamer, en prentte zich elke kleur en elk voorwerp in. Ze dacht terug aan de zandwormen, lege sporen die nu al weggespoeld waren. Ze schrok toen ze hem achter zich voelde. - Ik had je niet gehoord. - Niets zeggen, zei hij, we hebben nog een paar uur tijd. Hij kleede haar uit, ging op het bed zitten, kuste haar borsten en streek twee vingers tussen haar labia. Hij liet haar proeven, dan deed hij het opnieuw en stak zijn vingers in zijn eigen mond. Hij trok haar op het bed en rolde zich onder en over en in haar. Ze was blij dat het nog niet gedaan was. Nog, nog, nog had ze willen roepen maar ze zweeg gehoorzaam. Hij draaide haar op haar buik en dwong haar op haar knieen. Ze voelde eerst zijn natte tong tegen haar holletje en dan zijn het topje van zijn penis. Ze wist niet of ze dit wel wou. - Het moet, zei hij, het moet pijn doen. Ik wil dat je mij morgen nog voelt en ook overmorgen. Ze klauwde in het laken en onderdrukte het kreunen. Hij drong steeds verder, ze had het gevoel dat ze scheurde. Hij kreunde en zij gaf een schreeuw. Het geluid liet zich niet langer dwingen. Ze schreeuwde en bleef schreeuwen. Op de terugweg had hij veel te hard gereden. Er wachtten haar vragen en onderzoekende blikken. Ze had nog naar een woord gezocht. Maar geen gevonden. 14 april 1997