Fragment uit: Herman Brusselmans, 'Ex-minnaar'. Voorgedragen te Schiermonnikoog, 1 december 1995. Het kindeken Jezus is geboren maar mijn moeder, die is dood Hier sta ik dan, op het kerkhof. Het is niet één november, niet eens twee november, want op die dagen zijn er teveel levenden onder de doden, en zijn die levenden te zondags gekleed, en weten ze met zichzelf en met de aanwezigheid van de anderen te weinig blijf. En op die dagen lijken alle bloemen op elkaar. Het is ergens in december, de gehele wereld is thans op weg naar Kerstmis; en het is bitter koud, zoals het hoort. Er hangt, zo dunkt mij, rijp in mijn haren, en het is rijp die nu en dan eens knarst, en dan doen mijn oren pijn, maar deze pijn is draaglijk. Ik kijk rond, en dan kijk ik voor de allereerste keer met open ogen, ogen die durven, naar de nieuwe helderzwarte zerk, en zeg hardop - en net voor ik het zal zeggen voel ik een paar druppels uit mijn ogen vloeien, maar ik zeg het toch - ik zeg: 'Ma, mag ik een sigaret roken?' Ik huil niet omdat ik vooraf al wist dat ik op mijn vraag geen antwoord zou krijgen: mijn moeder, die daar in de aarde ligt, onder de zerk, is immers dood, dat weet ik ook wel, en dat ze ooit nog een vraag van mij zal beantwoorden, dat is uitgesloten. Maar wel huil ik, en in wezen is het heel simpel, omdat ik haar mis. En ik denk aan de ontelbare keren dat zij, na de gezichtsverlamming die haar veel te vroeg in haar veel te korte leven had getroffen, met weinig woorden smeekte of wij wat minder wilden roken, omdat haar ogen daarvan begonnen te tranen. Maar echt boos werd zij nooit als wij - mijn vader, mijn broer, ik; om het even wie, maar toch vooral deze drie - toch maar gewoon doorgingen met roken, en haar gekwelde ogen doorgingen met tranen... Ik steek een sigaret op en kijk, vertederd nu, vol van heimwee en verlangen naar de zerk. Ik negeer het kruisje en staar naar haar foto. Zij was al uitgeput toen, toen die foto werd genomen. Haar glimlach op die foto spreekt boekdelen. Ik beantwoord die glimlach, alsof zij mij ineens, vanonder het kille winterwarmer, werkelijk kan zien, en ik zeg: 'Dag L.L. 1m40.' Lea Lenssens, zo heette zij, initialen L.L., en een el is zeventig centimeter, en op de meisjesschool (hoe vaak ze dat verhaal niet verteld heeft, en terecht: het is een prachtig klein verhaal) hadden bijna alle meisjes een bijnaam, en de hare was dus 'el el een meter veertig'. Ik heb dat altijd een mooie bijnaam gevonden, een lieve bijnaam, een die bewijst - daar ben ik zeker van - dat zij graag werd gezien door haar vriendinnetjes op die school. (Dat iedereen die haar ooit heeft ontmoet op de een of andere wijze respect voor haar heeft gehad of van haar heeft gehouden, dat is een heilzame troost.) Ik ga bij het graf op mijn hurken zitten, want ik heb een zere knie sinds het motorongeval. Over dat ongeval heb ik haar nooit ingelicht. Ze was toen zelf al ziek en angstig genoeg. (En ik die dacht, zoals dat zo gaat: Ze wordt wel gauw weer beter.) De laatste keer dat ik haar heb gezien, toen zei ze: 'Het lijkt wel alsof jij mankt.' 'Dat kan wel', zei ik, 'vorige week, tijdens een nacht, was ik zo ongelukkig en wanhopig dat ik tegen een muur heb geschopt. Ik was eerlijk gezegd ook dronken.' 'Waarom was jij ongelukkig?' vroeg zij. 'Ik weet het niet', zei ik. 'Dat geeft niks', zei ze, 'maar je kan ook ongelukkig zijn zonder te manken. En met die motorfiets moet je maar niet te snel rijden. En dat drinken, dat is ook nergens voor nodig. En 's nachts, dan kan je maar beter in je bed liggen.' Ik doof de sigaret in het grind, ik kijk om me heen, ik kijk naar de zerk, ik blijf een tijdje stil, en dan zeg ik: 'Ach ma, het is zo'n goed gevoel met zekerheid te weten dat God niet bestaat. En dat jij mij dat gevoel hebt gegeven, door je dood, daar zal ik je eeuwig dankbaar om zijn. Al is het zo dat ik liever langer had geloofd in God, zodat jij langer had kunnen leven...' 'Jawel', mijmer ik wat later verder, terwijl ik weer recht ga staan, en de kille lucht diep inadem, 'hoe dan ook ben ik blij dat ik niet meer op God dien te betrouwen...' Het was te wijten aan deze God, de enige en waarachtige, dat ik - en ik noem maar één voorbeeld uit tienduizend - ontelbare keren, dronken of niet dronken maar altijd muisstil, uit het warme bed gleed, geknield en koud, of niet koud, aan de rand ervan ging zitten, geluidloos een gebed prevelde in de trant van: 'God, laat mij altijd bij deze vrouw blijven, en zij bij mij...' Die vrouw is G., en wij gingen onherroepelijk uit elkaar op 1 juli 1991, de dag waarna ik nooit meer geknield aan de rand van een bed zou gaan zitten. Al gaf ik God toen nog van niks de schuld. (Over dat ene voorbeeld, en de 9999 andere, zal ik, deo volente, nog vele boeken schrijven, en ik weet wel degelijk wat deo volente betekent, maar niets meer staat mij nog in de weg om te vloeken...) Doch niet enkel, zo bedenk ik, ben ik blij dat ik niet meer geloof in die God; nog gelukkiger ben ik met de zekerheid dat ik die God háát. Die solide haat is zo bevredigend dat ik het, op schaarse momenten, mijn moeder inderdaad bijna kan vergeven dat zij is gestorven, en mij aldus die louterende haat ter beschikking heeft gesteld. En vanaf dit jaar zal ik, iedere Kerstmis weer, zeer ongelukkig en wanhopig zijn omdat Diegene die ik het meest haat telkens opnieuw wordt herboren. Doch Goede Vrijdag wordt mijn eigen nieuwe hoogdag van vrede en geluk, omdat Diezelfde in afgrijselijke pijnen telkens weer zal sterven, aan een ordinair, van het vergeefs vergoten bloed druipende, armzalige houten kruis. En ik redeneer verder, en ik denk bij mijzelf: Mijn haat voor de God die mijn moeder heeft laten sterven, en daardoor heeft bewezen dat Hij niet bestaat, zit zo diep dat ik nimmer, en vooral niet in deze kerstperiode, zou hebben gewild dat mijn moeder uit haar graf zou opstaan, en aan mijn zijde zou meewandelen, want zoiets zou alleen mogelijk zijn door Goddelijke Tussenkomst, en Goddelijke Tussenkomsten, die gun ik God niet meer sinds Zijn allerlaatste, op 6 juli 1992, toen Hij mijn moeder, tegen Zijn beloften in, van het leven beroofde. 'Maar het ergste blijft de twijfel, ma', zeg ik tegen de glimmende zerk, en ten tweeden male lopen er tranen over mijn wangen. Ondanks alles - het verdriet, de liefde, de haat, de twijfel, de angst, de afwezigheid - is het rustig en kalm op dit kerkhof. Er is geen dreiging, of agressie, en alles straalt vrede uit, ook de kou, ook de ijzige wind die opsteekt, en ook de eenzaamheid in de vallende duisternis. 'Jammer dat je P. nooit ontmoet hebt', fluister ik. 'Zij heeft veel om jou, mijn onbekende moeder, gerouwd. Toen wist ik met zekerheid dat zij van mij houdt.' P. is thans de vrouw in mijn bestaan. En met Kerstmis heeft het weinig te maken, misschien zelfs niet eens net de dood, doch wel heeft alles tegenwoordig te maken met mijn schrikbarende onverschilligheid tegenover zowel de realiteit als tegenover de symboliek die de werkelijkheid dient om te zetten in herinnering en bewustzijn. Het is een onverschilligheid die niet meer - zoals vroeger wél mogelijk was - door mijzelf alleen versmacht kan worden, doch slechts door mijzelf met behulp van P. Dit betekent in wezen dat ik zonder hulp niet meer door het leven heengeraak... 'Maar ik doe mijn best, ma', zeg ik, 'en ik hou van jou...' Het lijkt alsof ik voor de derde keer tijdens mijn bezoek tranen zal schreien, maar dat is niet zo. Ik steek een sigaret op en geheel leeg verlaat ik het mooie kerkhof. Niet veel later word ik 's nachts dronken wakker, en er is een grote onrust in mij. Ik glijd uit het warme bed en ga naar beneden. Ik open het raam. Ik kijk huiverend naar de immense kerstboom die staat opgesteld aan de ingang tot het nonnenklooster. Ik loop mankend en mompelend rond; ik fluister de naam van P. tot ze wakker wordt. Ze komt naar mij toe, we omhelzen elkaar. 'Ik ga die kerstboom in brand steken...' zeg ik tegen haar, als ben ik een krankzinnige, '...ik ga die kerstboom in brand steken... Maar wil jij de brandweer bellen?' 'Ja', zegt zij. Ik kleed me aan, zij kleedt zich ook aan, ik zoek naar lucifers, tot ik wel drie doosjes heb gevonden, ik ben verlamd door twijfel. In de verte, zo stel ik me voor, loeien nu al de helende sirenes. 'Kom', zegt P., 'ik zal je helpen...' 'Zalig Kerstfeest', fluister ik, 'Zalig Kerstfeest... Zalig Kerstfeest...', en met vuur in onze handen gaan we naar buiten, de doodse hopeloze nacht in. Overal is licht. Terug naar overzicht Verhaal uit: Charles Bukowski, 'Zeventig jaar gegist'. Voorgedragen te Utrecht, 17 oktober 1997. Breng me je liefde Harry liep de treden af en de tuin in. Veel van de patiënten waren hier buiten. Ze hadden hem verteld dat zijn vrouw, Gloria, ook buiten was. Hij zag haar alleen aan een tafeltje zitten. Hij kwam schuins van achteren op haar toe, liep om het tafeltje heen en ging tegenover haar zitten. Gloria zat heel rechtop, ze zag heel bleek. Ze keek naar hem maar zag hem niet. Toen zag ze hem. 'Ben jij de leider?' vroeg ze hem. 'De leider waarvan?' 'De leider van de schijnwaarheid?' 'Nee, dat ben ik niet.' Ze was bleek, haar ogen waren bleek, bleek blauw. 'Hoe voel je je, Gloria?' Het was een ijzeren tafeltje, wit geschilderd, een tafeltje dat eeuwen zou meegaan. Midden op het tafeltjestond een kleine vaas bloemen, verlepte dode bloemen die aan treurige, slappe stengels omlaagbengelden. 'Jij bent een hoerenneuker, Harry. Jij neukt hoeren.' 'Dat is niet waar, Gloria.' 'Zuigen ze je ook af? Zuigen ze aan je lul?' 'Ik was van plan je moeder mee te brengen, Gloria, maar ze had griep.' 'Die ouwe taart heeft altijd wat... Ben jij de leider?' De andere patiënten zaten aan tafeltjes, stonden tegen de bomen geleund of lagen languit op het gazon. Ze verroerden zich niet en zwegen. 'Hoe is het eten hier, Gloria. Heb je vrienden?' 'Verschrikkelijk. Nee. Hoerenneuker.' 'Wil je iets te lezen hebben? Wat kan ik voor je meebrengen?' Gloria gaf geen antwoord. Toen hief ze haar rechterhand op, keek ernaar, balde hem tot een vuist en gaf zichzelf een klap op haar neus, heel hard. Harry reikte over de tafel en hield allebei haar handen vast. 'Gloria, toe, alsjeblieft!' Ze begon te huilen. 'Waarom heb je geen chocolaatjes voor me meegebracht?' 'Je zei tegen me dat je een hekel aan chocolaatjes had, Gloria.' De tranen stroomden over haar wangen. 'Ik heb helemaal geen hekel aan chocolaatjes. Ik ben dol op chocolaatjes!' 'Niet huilen, Gloria, toe, alsjeblieft... ik zal chocolaatjes voor je meebrengen, wat je maar wilt... Luister, ik heb een kamer genomen in een motel een paar straten hiervandaan, enkel en alleen om vlak bij jou te zijn.' Haar fletse ogen sperden zich open. 'Een kamer? In een motel? Je zit daar met een of andere stinkhoer! Jullie kijken samen naar pornofilms, en er zit een grote spiegel aan het plafond!' 'Nu ben ik een paar dagen vlak bij je, Gloria,' zei Harry sussend. 'Ik zal voor je meebrengen wat je maar wilt.' 'Breng dan je liefde maar voor me mee,' schreeuwde ze. 'Waarom breng je godver je liefde niet voor me mee?' Een paar patiënten draaiden zich om en keken. 'Gloria, ik weet zeker dat er niemand meer om jou geeft dan ik.' 'Dus jij wil chocolaatjes voor me meebrengen? Nou steek die chocolaatjes maar in je reet!' Harry pakte een kaartje uit zijn portefeuille. Het was het adreskaartje van het motel. Hij gaf het aan haar. 'Laat ik het nu maar aan je geven voor ik het vergeet. Mag je naar buiten bellen? Als je iets nodig hebt bel je me maar.' Gloria gaf geen antwoord. Ze pakte het kaartje en vouwde het op tot een klein vierkantje. Toen bukte ze zich, deed een van haar schoenen uit, stopte het kaartje erin en trok de schoen weer aan. Toen zag Harry Dr. Jensen over het gazon aankomen. Dr. Jensen liep glimlachend naar ze toe en zei: 'Zie zo...' 'Hallo, Dr. Jensen.' Gloria sprak zonder emotie. 'Mag ik erbij komen zitten?' vroeg de dokter. 'Natuurlijk,' zei Gloria. De dokter was een zware man. Een man van gewicht, van verantwoordelijkheid en gezag. Zijn wenkbrauwen zagen er dik en zwaar uit, ze waren ook dik en zwaar. Ze wilden omlaagzakken naar zijn vochtige ronde mond en erin verdwijnen, maar dat liet het leven niet toe. De dokter keek Gloria aan. De dokter keek Harry aan. 'Zo, zo,' zei hij. 'Ik ben echt tevreden over de vooruitgang die we tot nu toe hebben geboekt...' 'Ja, Dr. Jensen, ik vertelde Harry net dat ik me zoveel stabieler voel, dat de gesprekken en de groepstherapie zoveel hebben geholpen. Ik ben echt een heleboel van mijn onredelijke woede kwijt, en mijn nutteloze frustratie, mijn destructieve zelfmedelijden...' Gloria zat met haar handen in haar schoot gevouwen te glimlachen. De dokter glimlachte tegen Harry. 'Gloria is echt opmerkelijk vooruitgegaan!' 'Ja,' zei Harry, 'dat heb ik gemerkt.' 'Ik denk dat het nog maar heel even zal duren en dan is Gloria weer bij je thuis, Harry.' 'Dokter?' vroeg Gloria. 'Mag ik een sigaret?' 'Maar natuurlijk,' zei de dokter terwijl hij een pakje exotische sigaretten te voorschijn haalde en er een uit tikte. Gloria pakte hem aan en de dokter hield haar zijn vergulde aansteker voor, knipte hem tot leven. Gloria inhaleerde, blies de rook uit... 'U hebt prachtige handen, Dr. Jensen,' zei ze. 'O, dank je, lieverd.' 'En een vriendelijkheid die levens redt, een vriendelijkheid die mensen geneest...' 'Tja, we doen wat we kunnen...' zei Dr. Jensen vriendelijk. 'Goed, als jullie beiden me nu wilt excuseren, ik moet nog met een paar andere patiënten praten.' Hij hief zijn omvangrijke lijf moeiteloos uit de stoel en liep naar een tafeltje waar een vrouw bij een man op bezoek was. Gloria staarde Harry aan. 'Die dikke neukbeer! Die smeert de stront van de verpleegsters op zijn middagboterham...' 'Gloria, het was heerlijk je te zien maar het was een heel eind rijden en ik moet nu een beetje uitrusten. Maar ik denk dat de dokter gelijk heeft. Ik zie inderdaad enige vooruitgang.' Ze lachte. Maar het was geen vreugdevolle lach, het was een gespeelde lach, als een ingestudeerde rol. 'Ik ben helemaal niet vooruitgegaan, ik ben in feite achteruitgegaan!' 'Dat is niet waar, Gloria.' 'Ik ben de patiënt, Vissekop. Ik ben beter in staat een diagnose te stellen dan wie ook.' 'Waarom dat "vissekop"?' 'Heeft niemand je ooit verteld dat je een kop als een vis hebt?' 'Nee.' 'Nou, kijk dan maar eens goed als je je weer moet scheren. En pas op dat je niet in je kieuwen snijdt.' 'Ik ga nu weg... maar ik kom gauw weer, morgen...' 'Breng de volgende keer de leider mee.' 'Weet je zeker dat ik niets voor je kan meebrengen?' 'Jij gaat alleen maar terug naar die motelkamer om een of andere hoer te neuken!' 'Zal ik een New York voor je meebrengen? Dat tijdschrift las je vroeger zo graag...' 'Steek die New York maar in je reet, Vissekop! En de Time erachteraan!' Harry reikte over het tafeltje en kneep in de hand waarmee ze zichzelf op haar neus had geslagen. 'Hou je goed, en doe je best. Je bent gauw weer beter...' Gloria gaf geen blijk dat ze hem had gehoord. Harry kwam langzaam overeind, draaide zich om en liep naar de trap. Halverwege de trap draaide hij zich om en wuifde even naar Gloria. Ze zat er bewegingloos. Ze lagen in het donker en waren flink bezig toen de telefoon ging. Harry hield niet op, maar de telefoon ook niet. Het was erg storend. Zijn pik werd als gauw slap. 'Kut,' zei hij en rolde eraf. Hij knipte de lamp aan en nam op. 'Hallo?' Het was Gloria. 'Je bent een hoer aan het neuken!' 'Gloria, mag jij zo laat wel naar buiten bellen? Geven ze je geen slaappil of zoiets?' 'Waarom duurde het zo lang voor je opnam?' 'Moet jij nooit kakken? Daar was ik net lekker mee bezig, ik was net lekker bezig toen jij belde.' 'Ja, dat zal wel... en ga je weer lekker door als je van mij af bent?' 'Gloria, het komt door die extreme godverdommese paranoia van jou dat je daar zit!' 'Ach, Vissekop, mijn paranoia is maar wat vaak de voorloper geweest van een naderende waarheid.' 'Luister, je praat klinkklare onzin. Ga slapen. Ik kom je morgen opzoeken.' 'Okee Vissekop, ga jij maar lekker door met NEUKEN!' Gloria hing op. Nan zat in haar kamerjas op de rand van het bed met een glas whiskey met water op het nachtkastje. Ze stak een sigaret op en sloeg haar benen over elkaar. 'En,' zei ze, 'hoe is het met je vrouwtje?' Harry schonk zich een glas in en kwam naast haar zitten. 'Het spijt me, Nan...' 'Waarvoor, voor wie? Voor haar, voor mij, waarvoor?' Harry leegde zijn glas whiskey. 'Laten we er verdomme nou geen melodrama van maken.' 'O, nou, wat wil je er dan van maken? Een doodgewoon nummertje op en neer? Wil je proberen het af te maken? Of ga je liever even naar de badkamer om je klaar te trekken?' Harry keek Nan aan. 'Die geestige opmerkingen hou je maar voor je. Je was evengoed van de situatie op de hoogte als ik. Jij was degene die mee wilde!' 'Omdat ik wist dat je een of andere hoer zou meenemen als ik niet met je meeging!' 'O, kut,' zei Harry, 'daar heb je dat woord weer.' 'Welk woord? Welk woord?' Nan leegde haar glas, gooide het tegen de muur. Harry liep ernaartoe, raapte haar glas op, schonk het weer vol, gaf het aan Nan, vulde toen zijn eigen glas. Nan keek in haar glas, nam een slok, zette het op het nachtkastje. 'Ik ga haar opbellen, ik ga haar alles vertellen!' 'Om de donder niet! Die vrouw is ziek!' 'Net zo ziek als jij, vuile klootzak!' Op dat ogenblik ging de telefoon weer. Het toestel stond nog midden in de kamer op de vloer. Ze sprongen allebei van het bed naar de telefoon. Bij de tweede bel kwamen ze samen op het toestel neer en grepen elk een eind van de hoorn beet. Ze rolden zwaar ademend over het kleed, in een wanhopige verstrengeling van benen, armen en lijven, en aldus weerspiegeld in de grote spiegel aan het plafond. Terug naar overzicht Louis-Ferdinand Céline. Uit: 'Gesprekken met professor Y.' (1955). Voorgedragen op 1 december, in 'de Balg' op Schiermonnikoog. Gesprekken met professor Y 'Wat zou u dan zeggen van een klein filosofisch debat?... acht u zich daartoe in staat?... een debat, laten we bij voorbeeld zeggen, over de mutaties in de vooruitgang door de transformaties van het 'ik'?...' 'Ach, meneer de professor Y, ik wil u graag respecteren en zo... maar ik moet het u zeggen: ik ben daar tegen!... ik heb geen ideeën! niet één! en ik vind niets banaler, alledaagser, walgelijker, dan ideeën! de bibliotheken barsten ervan! en de caféterrassen!... alle impotenten vloeien over van ideeën!... en de filosofen!... ideeën maken is hun vak!... ze overbluffen de jeugd ermee! verhoereren die!... u weet toch dat de jeugd alles slikt... alles fantaaaaastisch! vindt, die pooiers hebben het dus gemakkelijk! de hartstochtelijke jaren van de jeugd gaan voorbij met erecties en het indrinken van 'ideeeeeën'!... van filosofieën, om beter uit te drukken!... ja, filosofieën, meneer!... de jeugd houdt van bedrog zoals jonge honden houden van stukken hout, zogenaamde kluiven, die je voor ze wegslingert en waar ze achteraan hollen! ze naderen die, ze blaffen, ze verliezen hun tijd, dat is het belangrijkste!... en zo zie je ook alle hansworsten onophoudelijk met de jeugd spelen... haar stukken hout toewerpen die hol zijn, filosofisch... en óf ze zich ook buiten adem schreeuwt, die jeugd!... en óf ze er ook blij mee is!... wat is ze dankbaar!... ze weten wat de jeugd nodig heeft, die pooiers! ideeeeeën!... en nog meer ideeeeeën! synthesen! intellectuele mutaties!... drink het als port! altijd aan de port! logistiek! fantaaaaastisch!... hoe holler het is, hoe meer de jeugd het allemaal slikt! allemaal vreet! alles wat ze vindt in de uiteinden van het holle hout... ideeeeeën!... speeltjes!... u, u hebt, professor Y, en ik zeg dit niet om u te kwetsen, een smoel dat wijst op intelligentie! op dat van een dialecticus zelfs!... het kan niet anders of u gaat veel om met jongeren! u moet die de pens volproppen! u leeft ervan, van de jeugd! als u dol bent op de jeugd!... ongeduldig, aanmatigend, lanterfanterend... dan moet u zelfs casuïstisch zijn! dat wed ik!... casuïstischer nog dan Abélard!... in de mode dus!...' Ik zeg hem alles wat ik maar aan lelijks kan vinden!... laat hem maar opkomen!... vijandigheid om vijandigheid, laat hem maar een rooie kop krijgen! dan sla ik daar op!... laten we maar boksen als er niet geïnterviewd wordt!... dan ga ik het allemaal aan Gaston vertellen! die zal me een lol hebben!... geeft-ie me tien ruggen meer voorschot!... schuld om schuld!... Hij reageert! ik had er een wedje op durven te maken!... 'En u dan, wat bent u dan wel?' De eerste vraag die hij me stelt! Aha! ik krijg mijn interview! 'Ik ben maar een uitvindertje, meneer!... een uitvindertje, en daar ga ik prat op!' 'Geweldig!' Wat hij me ook antwoordt... ik hou vast... 'Een uitvindertje, ja zeker!... en van een kleinigheidje maar!... niet meer dan een kleinigheidje!... ik zend geen boodschappen aan de wereld!... ik! nee, meneer! ik overvoer de ether niet met mijn gedachten! ik! nee, meneer! ik bezat me niet aan woorden, niet aan port, niet aan de vleierijen van de jeugd!... ik denk niet voor de hele planeet!... ik ben maar een uitvindertje en dan nog van een klein kleinigheidje! van voorbijgaande aard, ja, ja! net als de rest! net als het boordeknoopje met het wippertje! ik ken mijn uiterst geringe belangrijkheid! maar alles liever dan ideeeeeën!... ideeeeeën laat ik over aan de straatventers! alle ideeeeeën! aan de pooiers, de verwarringzaaiers!...' Ik amuseer hem... hij grinnikt, eerlijk! maar ik zal hem niet lang laten grinniken! 'En u, zeg eens op, wat doet u?... u, professor Y?... Bent u geen kouwe-druktemaker?... zet u de jeugd niet op een dwaalspoor?... stuurt u ze geen 'boodschappen'?... dat zou me verbazen!...' 'Hebt u iets uitgevonden?... en wat dan wel?' Vraagt hij. 'De emotie in de schrijftaal!... de schrijftaal was uitgedroogd, ik heb de emotie weer in de schrijftaal gebracht!... net zoals ik het u zeg!... da's geen geringe klus, dat zweer ik u!... de foef, de toverkunst waardoor elke willekeurige klootzak u nu 'in geschrifte' kan ontroeren!... de emotie van het 'gesprokene' in het geschrevene terug kunnen vinden! dát is niet niks!... het is nietig, maar het is wél wat!...' 'U bent belachelijk van pretentie!' 'Ja zeker! ja zeker!... en wat dan nog?... uitvinders zijn monsterlijk!... allemaal! vooral de kleine uitvinders! De emotie van de spreektaal in het geschrevene! Denk daar eens even over na, meneer de professor Y! Laat die grijze cellen van u eens een beetje werken!' 'Ja, goed, maar het romantische leesvoer dan! kijk eens naar de schrijvers van leesvoer!... die honderd miljoen per jaar verdienen, zonder reclame, zonder kritieken... zoeken die soms naar 'de emotie via de spreektaal'? die?... leuterkoek!... en die komen nooit in de gevangenis! die niet! die blijven heel gerieflijk overeind! die wel!' 'Ja, maar er schuilt een geheim in dat leesvoer... weet u welk?...' 'Nee!' 'Ze bevatten meer 'technicolor' dan alle andere!... daarom verkopen ze beter dan alle andere! daarbij vergeleken bestaan de met de Prix Goncourt bekroonde niet eens!... wat wint het over de hele wereld? meneer de professor Y? wat geniet de absolute voorkeur? van massa én elite? ik vraag het u? net zo goed in de Sovjet-Unie als in Columbus (Ohiojo) als in Vancouver in Canada, in Fez in Marokko, in Trabzon in Turkije, in Mexico?... de technicolor, professor Y!... de technicolor! ijzeren gordijn of niet!... het regime maakt geen bal uit!... overal de kitschwinkel! idem dito voor de literatuur! muziek! schilderkunst! moraal en goede manieren! technicolor! de makers van technicolorleesvoer zijn de meest vertaalde auteurs uit het Franse taalgebied... veel meer vertaald dan alle Balzacs, Hugo's, Maupassants, Anatoles etcetera... Péguy, Psichari... die toch ook, dat moeten we toegeven... Romain Rolland... verdomd technicolor waren!... maar die op het stuk van lafheid, zouteloosheid of moraal niet bestaan naast de Sisters Brothers Technicolor! o, helemaal niet!...' 'Goed, maar degenen dan die zonder kraak of smaak zijn, maar toch niet zulke oplagen halen?... niet zulke hoge als het romantische leesvoer? wat maakt u daar dan van?... die desondanks de Prix Goncourt wegslepen?... die u zo jammerlijk gemist hebt, u met uw genie! en de andere grote prijzen?... wat zegt u daar dan van?... dat het allemaal maar gekeutel is?...' 'Nee! ik waardeer ze! volstrekt! maar wel als technicolor!... ze lopen tachtig jaar achter!... ze schrijven allemaal zoals er geschilderd werd voor de Grote Salon van de Gouden Medaille omstreeks 1862... academisch of 'daar vlak naast'!... zelfs anti-academisch!... doet er niet toe!... je moet van alles hebben!... maar technicolor!... anarchistisch technicolor!... bombastisch technicolor!... religieus technicolor!... technicolor!' Ik geloof dat hij me begrijpt... maar ik maak hem razend... ik denk dat-ie me zou willen verslinden!... Nou, kalmeren zal ik hem niet!... o nee!... lala! 'U bent zo afgestompt, professor Y, dat je u alles moet uitleggen!... ik zal de puntjes voor u op de i zetten! luister goed naar wat ik u vertel: de schrijvers van vandaag weten nog niet dat de film bestaat!... en dat de film hun manier van schrijven belachelijk en nutteloos gemaakt heeft... kletskouserig en hol!...' Terug naar overzicht Pierre H. Dubois. Uit: 'Een vinger op de lippen: bekentenissen van Lorenzo Vitelli, Florentijns monnik, omgekomen op de brandstapel in het jaar 1498.' (1952). Voorgelezen bij Ludo, op de eerste Liederentaefel-avond. Een vinger op de lippen Het verwondert mijzelf dat ik zo rustig geworden ben. Voor de eerste maal geloof ik dat de dood werkelijk een oplossing is. Geen bevrijding, een oplossing. Het zou ook te gemakkelijk zijn anders. Ik ben gelukkig dat ik aan zelfmoord ontkomen ben, het zou mijn dood nutteloos hebben gemaakt en geen oplossing hebben gegeven aan mijn leven. Het komt mij nu zo duidelijk voor dat het leven zonder sterven een absurditeit is, dat juist het perspectief van de dood het leven, mijn eigen persoonlijk leven, een zin geeft. Ik weet zeker, ik weet nu plotseling, dat dit het is dat mij tot schrijven gedreven heeft, de behoefte om te ontdekken welke zin mijn leven heeft, welke zin het heeft gehad. Ik ben er niet in geslaagd het onder woorden te brengen. Maar het doet er niet meer toe. Ik weet dat er een zin is, zonder God, zonder hiernamaals, een zin die ligt in de toevallige geboorte, - want maakt het wezenlijk verschil of men geboren wordt uit liefde of uit lust? - en in de wetmatige dood. Ik leef niet voort, ik keer in het stof, maar ook uit mij is levensbeweging ontstaan, ook ik heb leven voortgebracht. Leven van mijn leven dat mijzelf niet meer is, dat alleen maar zijn kan, wanneer ik niet meer ben. Ik verwacht geen hiernamaals, alles wat ik kan verwachten, alles wat ik kan hopen, vindt zijn vervulling in mijn dood. Ik herinner mij het woord van een filosoof: 'De dood kan niet anders zijn dan de hemel.' Geen woord is mij troostrijker op dit moment. Ik heb sinds vanmorgen meer dan ooit over de dood nagedacht. Ik heb gepoogd mij te herinneren wat de filosofen, wat de godsdienststichters en de godsdienstpredikers er over gezegd hebben. Voor hen allen is de dood ofwel het einde, het absolute nulpunt, het niets; ofwel de overgang naar een ander leven, hetzij als straf of beloning, hetzij als gedaanteverwisseling van de stof. Het is onmogelijk dat dit alles tegelijk waar zou zijn. En slechts één ding staat vast: de dood maakt deel uit van het bestaan, zoals de stilte deel uitmaakt van het woord en het woord van de stilte, zoals de tijd deel uitmaakt van de eeuwigheid en de eeuwigheid ondenkbaar is zonder de tijd. Tijd en eeuwigheid zijn twee begrippen die elkaar tegenspreken, maar zij bestaan elk van beide slechts als zij samen bestaan. Ik heb niet geleefd als ik niet sterf en als er een hiernamaals is, is er geen leven op aarde. Het is of alles transparant wordt voor mijn blik; ik zou mij eindeloos kunnen verdiepen in mijn gedachten. Het uitspansel van mijn bewustzijn is doorbroken, daarachter is reeds een nieuw uitspansel dat ik nu doorbreken kan, en zo, van trans tot trans, van firmament tot firmament, weet ik dat alles te herleiden is tot dit simpele: een man, Lorenzo Vitelli geheten, zittend in een cel, wachtend op zijn terechtstelling en zijn dood, die zijn leven tot leven maken zal. Het is waar dat ik mij vaak een dood gewenst heb, wel ver afwijkend van die mij nu wacht. Maar toen was alles nog anders, het sterven was voor mij nog niet wat het nu is en de schande te sterven als een misdadiger was nog een schande. De dood leek ver af en ik besefte niet dat het natuurlijk was dat zij zou lijken op mijn bestaan, dat zij evenzeer deel uitmaakt van mijn lot als mijn leven. O dood, die ik als het leven liefheb, mijn dood die ik als mijzelf bemin. Terug naar overzicht Bob den Uyl. Uit: 'Een zachte fluittoon' (1968). Een fluittoon als hoofdthema Het is een uiterst nare ervaring om, als je voor het naar bed gaan nog gauw even een girobiljet invult omdat het anders misschien vergeten wordt, plotseling in de verte, mogelijk zelfs buiten de stad, de zachte aanvang van een fluittoon te horen. Met de aandacht geheel gericht op het werk dat nu eenmaal foutloos moet gebeuren, registreert toch een werkeloos deel van de geest dit gefluit en vraagt zich af, eigenlijk nog als spel, welke installatie dit geluid voortbrengt en wat het doel ervan is. In het begin besteed je nauwelijks aandacht aan het feit dat de fluittoon langzaam in kracht toeneemt, zó geleidelijk en onmerkbaar gebeurt dit. Toch komt het ogenblik dat je het hoofd opheft, het girobiljet vergeet, en met volle aandacht luistert. Het geluid klinkt al minstens tweemaal zo luid als eerst en lijkt ook niet meer op een ver verwijderde plaats te ontstaan. Maar hoe geruststellend klinkt het nog, een zuivere ronde fluittoon die aan komt drijven door de warme zomernacht, weliswaar steeds helderder en meer nabij, maar in een stad klinken zoveel geluiden. Als het hoofd zo enige tijd luisterend opgeheven is gehouden, besluit je het onder handen zijnde werk af te maken, maar als vanzelf leg je de pen neer, loopt naar het raam en steekt het hoofd naar buiten. Hier klinkt het geluid nog weer sterker dan aan tafel, en juist als je verwacht dat het nu wel abrupt zal ophouden of een andere toonhoogte zal aannemen, bemerk je het enigszins ongewone karakter van het geluid en de eerste ongerustheid dient zich in de geest aan. De mensen die nog op straat lopen vertonen echter geen tekenen van alarm, zodat je deze ongerustheid gemakkelijk weet te onderdrukken. Het valt zo moeilijk aan te nemen dat alleen jij het steeds toenemende gefluit zou horen. Maar die onderdrukking duurt niet lang; het geluid blijft aanzwellen, je krijgt neigingen om het raam dicht te gooien en onder de douche te gaan staan zingen. Neuriënd loop je naar de keuken en drinkt daar een glas water. Ondanks alle vertrouwde handelingen die de onrust weg moeten nemen, valt het toch niet mee achteloos aan de toenemende spanning voorbij te gaan. Zelfs de lopende kraan vermag het nu oorverdovende geluid niet te overstemmen. En dan, met een afgrond van paniek, zodat het zweet plotseling op het voorhoofd komt te staan, besef je dat dit zo liefelijk begonnen gefluit onhoudbaar zal blijven aanzwellen, dat van ophouden geen sprake kan zijn, hoe kon je ooit zo argeloos wezen. Onaangename bijgeluiden mengen zich nu al in de aanvankelijk zo zuivere toon. In dergelijke omstandigheden vallen er verschillende houdingen aan te nemen. Het grappige is echter dat de fluittoon zich hiervan niets aantrekt, en zo heeft het er jammer genoeg alle schijn van dat we hier machteloos staan.