ISAÄC DA COSTA (1798-1860) KERSTZANGEN. I. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven. - Jesaja XI : 5. Wat heerlijkheid straalde over Bethlehems velden! Wat hemelsche tonen doorgolven den trans! In de eenzame nachtwaak der kudden ontstelden der herders, omschenen van Godlijken glans! De boodschap des heils wordt aan armen gezonden, die waken by 't sluimren der dartelende aard! En juublende heiren van Seraphs verkonden de Godspraak der eeuwen: De Maagd heeft gebaard! Maar niemand vernam het, in Israëls Grooten, geen Wijze vermoedt het, volleerd in de Wet, wat wonderbedeeling zich hier heeft ontsloten, wat wondergeboorte hier Englen ontzet! Alleen in de verte der Oosterluchtkimmen, zien Wijzen van vreemden, van onjoodschen stam, de sterre des Konings uit Jacob ontglimmen - (2e citaat) ja! de eeuwlang Gewenschte der Heidenen kwam! De Zoon werd gegeven, het Kind werd geboren, en de Opgang van Boven sproot uit, en verscheen! (2e citaat) En herders! o gy, tot Zijn schapen verkoren, wat hoordet, wat zaagt ge, waar spoeddet gy heen? Naar Bethlehem Ephratha, de erflijke woning van Boöz, en Jese, en Davids geslacht! aldáár is geboren, de Herder, de Koning, te Bethlem, in Juda de minste geacht! Dáár zaagt ge het Kindeke, in de doeken gewonden, een kribbe, Zijn leger, - Zijn woning, een schuur! (Daar was op heel de aarde geen andre gevonden voor de Erfdochter Davids in barensnoodsuur!) Maar daarom vernamen Uw vreedzame velden die hemelsche stemmen, by d' afloop der nacht, die Isrel de komst des Gezegenden meldden, en 't heil, door God-zelven op aarde gebracht! Zy loven den Heiland, den Christus, den Heere, den Zoon zonder aanvang, den Hemelschen spruit! Zy brengen den Vader aanbidding en eere! Zy roepen den raad van Zijn vreêverbond uit: genade voor zondaars, in afval verloren, behagen in 't schepsel, dat weêrkeert tot stof! Het Woord openbaart zich! het Kind is geboren! Het Zaad is voldragen, voorzegd in den hof! Gaat uit dan, o gy, de allereerste getuigen der zaligheid Gods, die in 't vleesch is gezien, - die 't eerst voor dat Kindeke uw knieën mocht buigen, die 't eerst dien Emmanuël hulde mocht biên! Gy allen, tot trouw- en genadebetooning van God, tot dien heildag verwachtend bewaard, verkondigt aan Sion: uw God is uw Koning! uw glorei, o Isrel! uw heillicht, o Aard! Getuigt, het gy volken! van 't uiterst der aarde, en brengt dien Verwinnaar uw schatten ten buit! Gy, Wijzen van Oosten, wien 't God openbaarde! zijn sterre geleidt U, spoedt henen, trekt uit! Belijdt hem te Salem, in spijt der Heroden! Aanbidt hem te Bethlem, met wierook en goud! Aanbidt den geborenen Koning der Joden, die de einden des Heidendoms roept tot behoud! En gy, kleine lammren, ten bloeddoop verkoren, waar Rachels gebeente zoo klaaglijk om treurt! in plaats van dat Kind, u ten Losser geboren, aan 't moederlijk harte ter slachting ontscheurd! Getuige ook dat bloed, door den Vreemdling vergoten, dat de Overste Leidsman uit Vorstelijken stam, de Herder der schapen, uit David gesproten, naar 't woord der Profeten, uit Bethlehem kwam. Hy komt, om Zijn Isrel voor eeuwig te troosten! Springt op, o gy volken! met Jacob te zaam! Gy Noorden en Zuiden, gy Westen en Oosten, roept uit dien Ontzag, dien Genâvollen Naam! Een kind, ons geboren! een Zoon ons gegeven! God-zelve ons verschenen in 't zichtbare stof! Verheerlijkt dien heildag, zoo schoon, zoo verheven met immer vernieuwde verrukking van lof! met duizend gemengelde klanken en galmen van cymbel en orgel, en trommel en fluit! van Sions zich telkens vervullende psalmen, ter eere van Bethlems gezegende Spruit! En gy, o gy zoetste, gy schoonste der nachten, veel schooner dan de ochtendstond zelve der aard! O Kerstnacht! verwachtinng der vroegste geslachten, by 't rijpen der eeuwen in vreugde gebaard! By 't smeltende licht van uw sterrengewemel ontwake de Kerkbruid met Hallelujah! En zegge: Hosanna zij Gode in den Hemel: en Vrede over de aarde! door vrije Genâ! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) KERSTZANGEN. II. En men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad Sterke God, Vader der Eewigheid, Vredevorst. - Jesaja XI : 5. [Stem: Psalm CXLVI] Op 't geluid der hemelchoren, op 't gelei van Jacobs ster, dat wy 't Kindeke, ons geboren, biddend naadren, schoon van verr'! Gods- en Menschenzoon te zaam WONDERLIJK! dat is Zijn naam! In die nederige woning ligt, van zichtbren glans ontbloot, Gods Gezalfde, Sions Koning! de Ééngeboorne in 's Vaders schoot! Die van ouds genoemd werd Raad, 't Woord, door Wien de wereld staat! Laat ons blijde, maar met beven, lof, en prijs, en hulde biên aan dien Zoon, van God gegeven, arm en klein, op moeders kniên! - want Zijn hand bestiert ons lot, en Zijn Naam is sterke god! In den tijd werd Hy geboren, aan Zijn eigen woord getrouw; de Eerstgeboren, de Uitverkoren, als 't beloofde Zaad der Vrouw aan de Vaadren toegezeid, VADER, zelf, DER EEUWIGHEID. Eeuwig moet dat Kind regeeren, spruit en Hoofd van Davids Huis! Alles zal Hy overheeren, door de zwakheid van een kruis! Schoon Hy aanstoot brengt, en 't zwaard, VREDEKONING toch op de aard! Wonderlijk! Raad! Almachtig! Eeuwenvader! Vredeheer! Aan den nacht des heils gedachtig, vallen we in aanbidding neêr voor den Meester van 't heelal in den Bethlehemschen stal! Ja! 't betaamt ons dáár te aanbidden Gods in 't vleesch gezienen Zoon! In der arme herdren midden d' Erfgenaam van Davids troon! Op Mariaas moederschoot, d' Overwinnaar van den Dood! Die, na drie en dertig jaren, aan een vloekpaal vastgehecht, zich ook dáár zal openbaren, Zoon van God, in macht en recht! Van de kribbe tot aan 't kruis volgt en looft Hem, Jacobs huis! Doch, wie zal Zijn woord gelooven! Dit verstaat geen vleesch en bloed, dat de Levensvorst van boven voor verloren zondaars boet, mensch, ja! kind wordt, lijdt en sterft, en ons met Zijn bloed verwerft! Maar Gods Englen in den hoogen, die hem dienen dag en nachtm steeds vervuld van mededoogen, over Adams nageslacht, zien het wonder, roepen 't uit, en aanbidden 't Godsbesluit! Maar het kuddeken op aarde, 't Israël van God bemind, dat Zijn woord in 't hart bewaarde, heeft, in 't pasgeboren Kind, zijn Verlosser in de ellend, zijn verborgen God herkend! Een verborgen God, een Heiland, is de God van Israël! 't Heilgeloove, nimmer feilend, merkt Zijn wonderbaar bestel! Dat heel 't schepsel tuige zij: een verborgen God is Hij! Tuigt het heemelen! Tuig het, aarde! uit het niet hervoortgebracht! Sints het Godsbesluit U baarde, onderhouden door Zijn kracht! Doch de hand, die 't alles werkt, blijft bedekt en onbemerkt! Tuig het in Uw wisselingen, o der eeuwen wentlend lot, wiens door één gevlochten kringen u zijn afgeperkt van God! Maar Zijn wegen, Zijn beleid, zijn omhuld in donkerheid! Tuig het, Isrel! wien Hy stelde tot een toonbeeld van genâ! wien Zijn aangezicht verzelde, dien Hy weidde, vroeg of spâ! Ge ondervondt Zijn heilgebied, maar het Wezen zaagt gy niet! En gy, voorwerp Zijner zorgen, Godskerk, over de aard verspreid! In Uw Heer en Hoofd verborgen, spreidt ook gy geen heerlijkheid, aardschen glans, noch macht ten toon! - gantsch inwendig zijt gy schoon! Kleinste van Judéaas steden! ja, ook gy getuigt hiervan! Want uit U is voortgetreden die alléén verlossen kan! die van ouds is uitgegaan! die nooit aanving te bestaan! Loof dien Spruit, gy uitverkoren, gy verborgen Bethlehem! Looft dien Heerscher, U geboren, burgers van Jerusalem! Looft gy, heemlen! loof gy aard! God is 't vleesch geopenbaard!! ISAÄC DA COSTA (1798-1860) KERSTZANGEN. III. LOFZEGGING. [Stem: Psalm LXXXIX.] Wy loven U, o God! o Vader! Gy, wiens schoot den Raad des Vreêverbonds van eeuwigheid besloot! Gy geeft Uw eigen Zoon, ten Vorst en Eerstgeboren van 't volk, door smaad en kruis, tot zaligheid verkoren! Op dat aan 's hemels lof 't gebed der Kerk zich huwe: het koninkrijk, de kracht, de heerlijkheid, is uwe! Ook Uwe, o eeuwig Woord, Zijn uitgedrukte Beeld! Verlosser, Schepper, Heer! en God uit God geteeld! Ja, Uwe is 't Koninkrijk, Gy Bouwheer-zelf des huises! uw Kracht verheerlijkt zich in 't smaadlijk zwak'des kruises! en 's Vaders Heerlijkheid, uit U gestraald, U eigen, doet voor Uw Bethlehem zich alle heemlen neigen! U mede aanbidden wy, der Kerke ontzichtbaar Hoofd, Gy Zalver van dien Heer, door wien Gy wordt beloofd! 't Is in Uw nederkomst, dat ons de Godheid nadert! Het Koninkrijk des Zoons wordt door Uw wil vergaderd! Gy zijt des Vaders Kracht, o Geest en Bron des levens! en beider Heerlijkheid woont in Uw volheid tevens! Wy loven U, o Heer! en God des heilverbonds! o Vader van genade, o Koning God met ons! o Trooster vol van liefde! o trouwe God der vaadren, die ook de kinderen vergunt tot U te naadren! U, Vader, Zoon, en Geest, God, drie en Één te zamen, zij 't rijk, de kracht en de eer, tot in geslachten, amen. ISAÄC DA COSTA (1798-1860) KERSTZANGEN. IV. SLOTZANG. [Stem: Psalm XL.] Looft den Vader, looft den Zoon, looft den Geest, op Englentoon! Dat de stem der Bruid zich paar' aan 't gejuich der Geestenschaar! Laat de Kerk alom gewagen van 't Besluit, aan haar verklaard! Eere aan God, en Vrede op aard, en in menschen Welbehagen!