Inhoud DER MENSCHEN - Willem Kloos (1859-1938) Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten - Willem Kloos (1859-1938) AVOND IN DE STAD - Frederik Willem van Eeden Jr. (1860-1932) 'k Ben Brahman - Johan Andreas dŠr Mouw (1863-1919) Zie je ik hou van je - Herman Gorter (1864-1927) DE CROCUS - Albert Verwey (1865-1937) HET HUWELIJK - Willem Elsschot (1882-1960) BERICHT AAN DE REIZIGERS - Jan van Nijlen (1884-1965) 'O, Als ik dood zal, dood zal zijn - Jan Hendrik Leopold (1865-1925) ENKELE KWATRIJNEN VAN OMAR KHAYYAM DE DAPPERSTRAAT - Jacobus Cornelis Bloem (1887-1966) DE WOLKEN - Martinus Nijhoff (1894-1953) DE MOEDER DE VROUW - Martinus Nijhoff (1894-1953) MARC GROET 'S MORGENS DE DINGEN - Paul van Ostaijen (1896-1928) IN NEDERLAND... - Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) ZONDER WEERKLANK - Hendrik Marsman (1899-1940) SONNET VAN BURGERDEUGD - Charles Edgar du Perron (1899-1940) HET LIED DER ACHTTIEN DODEN - Jan Campert (1902-1943) VOGEL VAN WAANZIN - Gerrit Achterberg (1905-1962) FILOSOFENVERDRIET - Daan Zonderland (1909-1977) NIEUW PARTIJLIED - Cornelis Buddingh' (1918- ) BOMMEN - Paul Rodenko (1920-1976) MEISJE - Jan Emmens (1924-1971) VREDE IS ETEN MET MUZIEK - Lucebert (1924- ) GEMOMPEL - Remco Campert (1929- ) UITVAART - Riekus Waskowsky (1932-1977) OVER DE LIEFDE - Rutger Kopland (1934- ) DE KOE - K. Schippers (1936- ) TUSSEN DENKEN EN DOEN - J. Bernlef (1937- ) IN HOGER SFEREN - Hans Dorrestijn (1940- ) MONT VENTOUX - Jan Kal (1946- ) H‚... hallo, hoe gaat 't met jou - Bart Chabot (1954- ) ------------------------------------------------------------------------ DER MENSCHEN Der menschen hoogste smart is wonderbaar: Zonder gelach, Zonder geween, Lig ik gestrekt, Beweegloos gestrekt, Starend en stom, In den nacht. Paarden-getrappel en wagen-gedraaf... Donkere vormen bewegen zich zacht In den donkeren nacht ... Donkere vormen, zonder gerucht, En ik zucht ... Paarden-getrappel en wagen-gedraaf, Paarden en wagen draven gestaeg, Paarden en wagen draven gestaeg met getrappel op straat ... Waar ik roerloos gestrekt lig, Zonder gerucht, In den nacht, in den nacht. WILLEM KLOOS Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten, En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon Over mij-zelf en 't al, naar rijks-gebo"n Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten, - En als een heir van donker-wilde machten Joelt aan mij op, en valt terug, gevlo"n Voor 't heffen van mijn hand en heldre kroon: Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten. En t¢ch, zoo eind'loos smacht ik soms om rond Uw overdierbre leˆn den arm te slaan, En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed En trots en kalme glorie, te vergaan Op £we lippen in een wilden vloed Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond. WILLEM KLOOS AVOND IN DE STAD De groote stem der stad verstomt en de nachtwind die in mijn venster komt brengt een vaag en wonderlijk suizen als zuchten der slapende huizen. mijn lamp brandt stil en suizelt zacht en peinst zijn gepeinzen den langen nacht. Ik staar in het heldere branden, Mijn katje speelt met mijn handen. Hoe waren de dagen die verre zijn toen mijn hart ontwaakte in den zomerschijn? toen de geuren mij wekten der linde? toen de kelken knikten der winde? Waar heb ik de roze het eerst gegroet de bleeke, die groeit aan der duinen voet? - Mijn katje speelt in de schauwen der gordijnen, met ritslende klauwen. Zie, bloemen en gras op mijn kleed, mijn boek, een meidoorn bloeit in den kamer-hoek, zie, bleekrode rozen omringen mij rings, en dichte seringen.... Maar een schaduw valt en alles wijkt. - Op de vensterbank zit mijn katje en kijkt in de donkere diepte neder, zijn staart slingert heen en weder. Nu komen van over de zwarte stad, nu stijgen op uit het wiegelend nat van de kille, duistere grachten, de kille, zwarte gedachten. Ze zweven zwijgend door 't venster heen op iedere schouder zet zich ‚‚n, op mijn hoofd, mijn borst en mijn brauwen, ze drukken met klemmend benauwen. En dof hoort mijn oor het vaag gerucht der nachtwind die weeklagend zucht, de angstige droomen der huizen. Mijn lamp blijft peinzend suizen. FREDERIK WILLEM VAN EEDEN JR. 'k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid. Ik doe in huis het een'ge ik kan: 'k gooi mijn vuil water weg en vul de kan; maar 'k heb geen droogdoek; en ik mors altijd. Zij zegt, dat dat geen werk is voor een man. En 'k voel me hulp'loos en vol zelfverwijt, als zij mijn lang verwende onpraktischheid verwent met wat ze toverde in de pan. En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt tot fee‰rie van wereld, kunst en weten: als zij me geeft mijn bordje havermout, en 'k zie, haar vingertoppen zijn gespleten, dan voel ik ‚‚nzelfde adoratie branden voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen. JOHAN ANDREAS DER MOUW Zie je ik hou van je, ik vin je zo lief en zo licht - je ogen zijn zo vol licht, ik hou van je, ik hou van je. En je neus en je mond en je haar en je ogen en je hals waar je kraagje zit en je oor met je haar er voor. Zie je ik wou graag zijn jou, maar het kan niet zijn, het licht is om je, je bent nu toch wat je eenmaal bent. O ja, ik hou van je, ik hou zo vrees'lijk van je, ik wou het helemaal zeggen - Maar ik kan het toch niet zeggen. HERMAN GORTER DE CROCUS De bol op glazen vaas Reikt witte worteldraden In 't water: de bloembladen Hebben een paarsig waas. Hemel en aard en vloed In zo doorzichtge omgrenzing, In groei, bloei en verflenzing, Zijn wat de dichter doet. Zijn lied ontluikt in 't woord. Dat houdt zijn ziel omsloten. Zijn zang door 't licht omvloten Sterft als het oor hem hoort. ALBERT VERWEY HET HUWELIJK Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven, haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven toen wendde hij zich af en vratzich op van spijt. Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren, hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard. Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond het merg uit haar gebeente, dat haar t¢ch bleef dragen. Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen, en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond. Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand. Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen en rennen door het vuur en door het water plassen tot bij een ander lief in enig ander land. Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot en zagen dat de man die zij hun vader heetten, bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten, een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood. W. ELSSCHOT BERICHT AAN DE REIZIGERS Bestijg de trein nooit zonder uw valies met dromen, dan vindt ge in elke stad behoorlijk onderkomen. Zit rustig en geduldig naast het open raam: gij zijt een reiziger en niemand kent uw naam. Zoek in 't verleden weer uw frisse kinderogen, kijk nonchalant en scherp, droomrig en opgetogen. Al wat ge groeien ziet op 't zwarte voorjaarsland, wees overtuigd: het werd alleen voor u geplant. Laat handelsreizigers over de filmcencuur hun woordje zeggen: God glimlacht en kiest zijn uur. Groet minzaam de stationschefs achter hun groen hekken, want zonder hun signaal zou nooit ‚‚n trein vertrekken. En als de trein niet voort wil, zeer ten detrimente van uwe lust en hoop en zuurbetaalde centen, blijf kalm en open uw valies; put uit zijn voorraad en ge ondervindt dat nooit een enkel uur verloren gaat. En arriveert de trein in een vreemdsoortig oord, waarvan ge in uw bestaan de naam nog nooit hebt gehoord, dan is het doel bereikt, dan leert gij eerst wat reizen betekent voor de dolaards en de ware wijzen... Wees vooral niet verbaasd dat, langs gewone bomen, een doodgewone trein u voert naar 't hart van Rome. JAN VAN NIJLEN 'O, Als ik dood zal, dood zal zijn kom dan en fluister, fluister iets liefs, mijn bleke ogen zal ik opslaan en ik zal niet verwonderd zijn. En ik zal niet verwonderd zijn; in deze liefde zal de dood alleen een slapen, slapen gerust een wachten op u, een wachten zijn.' JAN HENDRIK LEOPOLD ENKELE KWATRIJNEN VAN OMAR KHAYYAM 1 De wereld gaat en gaat, als lang na dezen mijn roem verging, mijn kennis hooggeprezen. Wij werden v¢¢r ons komen niet gemist, na ons vertrek zal het niet anders wezen. 2 Daarom, laat af van hoop en wanhoop, kom waar vrouwen lachen en waar om en om de wijnkan rondgaat, drink voordat uw stof wordt omgearbeid tot een andre kom. 3 Een pottenbakker zag ik aan zijn wiel, Die 't leem mishandelde met vuist en hiel. Daar zuchtte 't weerloos stof: Hanteer mij lichter. Ook ik was mensch eer ik hiertoe verviel. (Vertalingen door J.H. Leopold en P.C. Boutens) DE DAPPERSTRAAT Natuur is voor tevredenen of legen. En dan: wat is natuur nog in dit land? Een stukje bos, ter grootte van een krant, Een heuvel met wat villaatjes ertegen. Geef mij de grauwe, stedelijke wegen, De'in kaden vastgeklonken waterkant, De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand Door zolderramen, langs de lucht bewegen. Alles is veel voor wie niet veel verwacht. Het leven houdt zijn wonderen verborgen Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat. Dit heb bij mijzelven overdacht, Verregend, op een miezerigen morgen, Domweg gelukkig, in de Dapperstraat. JACOBUS CORNELIS BLOEM DE WOLKEN Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag Lang-uit met moeder in de warme hei, De wolken schoven boven ons voorbij En moeder vroeg wat 'k in de wolken zag. En ik riep: Scandinavi‰, en: eenden, Daar gaat een dame, schapen met een herder - De wond'ren werden woord en dreven verder, Maar 'k zag dat moeder met een glimlach weende. Toen kwam de tijd dat 'k niet naar boven keek, Ofschoon de hemel vol van wolken hing, Ik greep niet naar de vlucht van 't vreemde ding Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek. - Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide En wijst me wat hij in de wolken ziet, Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet De verre wolken waarom moeder schreide - MARINUS NIJHOFF DE MOEDER DE VROUW Ik ging naar Bommel om de brug te zien. Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden, worden weer buren. Een minuut of tien dat ik daar lag, in 't gras, mijn thee gedronken, mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd - laat mij daar midden uit de oneindigheid een stem vernemen dat mijn oren klonken. Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. Zij was alleen aan dek, zij stond bij 't roer, en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren. MARTINUS NIJHOFF MARC GROET 'S MORGENS DE DINGEN Dag ventje met de fiets op de vaas met de bloem ploem ploem dag stoel naast de tafel dag brood op de tafel dag visserke-vis met de pijp en dag visserke-vis met de pet pet en pijp van het visserke-vis goeiendag Daa-ag vis dag lieve vis dag klein visselijn mijn. PAUL VAN OSTAIJEN IN NEDERLAND... In Nederland wil ik niet leven, Men moet er steeds zijn lusten reven, Ter wille van de goede buren, Die gretig door elk gaatje gluren. 'k Ga liever leven in de steppen, Waar men geen last heeft van zijn naasten: Om 't krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen, Geen vos zijn tred verhaasten. In Nederland wil ik niet sterven, En in de natte grond bederven Waarop men nimmer heeft geleefd. Dan blijf ik liever kunkrend zwerven En kom terecht bij de nomaden. Mijn landgenoten smaden mij: "Hij is mislukt." Ja, dat ik hen niet meer kon schaden, Heeft mij in vrijheid nog te vaak bedrukt. In Nederland wil ik niet leven, Men moet er altijd naar iets streven, Om 't welzijn van zijn medemenschen denken. In het geniep slechts mag men krenken, Maar niet een facie ranslen dat het knalt, Alleen omdat die trek mij niet bevalt. Iemand mishandlen zonder reden Getuigt van tuchtelooze zeden. Ik wil niet in die smalle huizen wonen, Die Leelijkheid in steden en in dorpen Bij duizendtallen heeft geworpen... - Uit stijlgevoel niet, om te toonen Dat men wel weet hoe het behoort - Des Zondags om elkaar te groeten De straten door in zwarte stoeten. In Nederland wil ik niet blijven, Ik zou dichtgroeien en verstijven. Het gaat mij daar te kalm, te deftig, Men spreekt er langzaam, wordt nooit heftig, En danst nooit op het slappe koord. Wel worden weerloozen gekweld, Nooit wordt zoo'n plompe boerenkop gesneld, En nooit, neen nooit gebeurd een mooie passiemoord. JAN JACOB SLAUERHOFF ZONDER WEERKLANK Volk, ik ga zinken als mijn lied niet klinkt; ik moet verdrogen als gij mij niet drinkt; verzwelg mij, smeek ik - maar zij drinken niet; wees mijn klankbodem, maar zij klinken niet. HENDRIK MARSMAN SONNET VAN BURGERDEUGD De trammen tuimlen door de lange straten, al 't leven buiten en de ramen dicht, wat tee voor ons en de avond te verpraten, de lamp streelt rustig ons voornaam gezicht. Inbrekers, wurgers, rovers en piraten, en de eerste zondvloed en het laatst gericht, elke onrust heeft ons deugdzaam hart verlaten. O tee! o vriendschap! o kalmerend licht! Straks 't balsemende donker, morgen lopen wij opgefleurd te kopen of verkopen; God levert de eerzucht en het daagliks brood. Genoeg vermoeienis om 's nachts te slapen, alle overgangen tussen lach en gapen, en aan het eind, de liefderijke dood. CHARLES EDGAR DU PERRON HET LIED DER ACHTTIEN DODEN 5 maart 1941 Een cel is maar twee meter lang En nauw twee meter breed, Wel kleiner nog is het stuk grond Dat ik nu nog niet weet, Maar waar ik naamloos rusten zal, Mijn makkers bovendien, Wij waren achttien in getal, Geen zal den avond zien. O lieflijkheid van lucht en land Van Hollands vrije kust - Eens door den vijand overmand Vond ik geen uur meer rust. Wat kan een man, oprecht en trouw, Nog doen in zulk een tijd? Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw En strijdt den ijd'len strijd. Ik wist de taak, die ik begon, Een taak van moeiten zwaar, Maar 't hart, dat het niet laten kon, Schuwt nimmer het gevaar. Het weet hoe eenmaal in dit land De vrijheid werd geeerd, Voordat die vloekb're schennershand Het anders heeft begeerd, Voordat die eden breekt en bralt Het misselijk stuk bestond, En Hollands landen binnenvalt En brandschat zijnen grond; Voordat die aanspraak maakt op eer En zulk Germaans gerief, Ons volk dwong onder zijn beheer En plunderde als een dief. De Rattenvanger van Berlijn Pijpt nu zijn melodie; Zo waar als ik straks dood zal zijn, De liefste niet meer zie, En niet meer breken zal het brood Noch slapen mag met haar,- Verwerpt al wat hij biedt of bood Die sluwe vogelaar! Gedenkt, die deze woorden leest Mijn makkers in den nood, En die hen nastaan 't allermeest, In hunnen rampspoed groot, Gelijk ook wij hebben gedacht Aan eigen land en volk - Er komt een dag na elke nacht, Voorbij trekt ied're wolk. Ik zie hoe 't eerste morgenlicht Door 't hoge venster draalt - Mijn God, maak mij het sterven licht, En zo ik heb gefaald, Gelijk een elk wel falen kan, Schenk mij dan Uw gena, Opdat ik heenga als een man, Als 'k voor de lopen sta... JAN CAMPERT VOGEL VAN WAANZIN Vogel van waanzin in dit zenuwhuis duikt in vervoering donkerheden binnen, die zij heeft weten te beminnen, maar vindt haar hand niet meer, wijkt uit, ten venster, waar onroerbaar zwart de horizonnen liggen, die zij heeft liefgehad - maar vliegt zich in het glas te blinde en legt zich neer in 't midden van de kluis, waar ik begin te bidden: geef nu een zacht vergif dit dier en 't huis, o dood, uw laatste zuiverende winden. GERRIT ACHTERBERG FILOSOFENVERDRIET Schrei niet, kleine filosoof, Om wat je misdaan is, Nu je lieve Agatha Ervandoor gegaan is. Trek niet, kleine filosoof, Zulke galgetronies, Want de ware filosoof Mint het best platonisch. Die de wijsheid leren wil, Mijde vrouwenlippen, Want voor elke Socrates Is er een Xanthippe. DAAN ZONDERLAND NIEUW PARTIJLIED wat een ellende! (4x) wat een diepe ellende: (4x) zondag jl nederland-belgi‰ (2x) alweer niet op de tv (4x) beeldschermbezitters aller landen verenigt u (2x) asjeblieft (8x) snel! (3x) CORNELIS BUDDINGH' BOMMEN De stad is stil. De straten hebben zich verbreed. Kangeroes kijken door de venstergaten. Een vrouw passeert. De echo raapt gehaast haar stappen op. De stad is stil. Een kat rolt stijf van het kozijn. Het licht is als een blok verplaatst. Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein en drie vier huizen hijsen traag hun rode vlag. PAUL RODENKO MEISJE Op het gezicht van dit meisje trof ik mijzelf met verbazing aan in een verouderd lichaam, achter tralies van rimpels, in een mist van zorg. Zij was niet mooi, wat men daar ook soms onder mag verstaan, alleen verlegen met haar toekomst, mij reeds welbekend. JAN EMMENS VREDE IS ETEN MET MUZIEK Vredig eten is goed eten Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede Voor een goede spijsvertering is het een vereiste Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt Daarom eet men met muziek ook beter Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm En later zelfs de overige dertig meter Lange darmen in de buik Vrede is goed eten met goede muziek Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten Als men dan ook maar vredig loopt En niet meemarcheert met een troep soldaten Tegen andere soldaten Dan is marsmuziek net zo bedorven Als besmet voedsel Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten Want dansen is geen vechten Wie danst houdt rekening met andere dansers Zoals men onder het eten niet alle Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt Met de overigen de disgenoten LUCEBERT GEMOMPEL Hoe duidelijker ik 't wil zeggen hoe slechter ik uit mijn woorden kom dit lijkt mij een typisch verschijnsel van het een of ander REMCO CAMPERT UITVAART De Here had deze keer weer eens genomen en met grote droefenis hadden wij kennisgegeven en vertrokken wij om 2 uur van het sterfhuis. In de eerste volgauto's zwijgend de mannen: iets van aartsvaders hadden ze - hoewel de meesten toch maar gewoon kantoorbediende waren. Daarna onder troosteloze hoeden de vrouwen, in het volle ornaat van de trieste frigiditeit die recht op een stoel in de hemel geeft. Maar waarom reed daarachter nu dat rode autootje met die luidzingende chinees? RIEKUS WASKOWSKY OVER DE LIEFDE Het is dus gezien alle voorafgaande argumenten onmogelijk zonder de liefde te kennen de liefde te herkennen als het over de liefde gaat tenminste zijn wij zo verdomd voorzichtig en toch nog zijn er altijd wel beesten die toekijken als je dan eindelijk in het gras ligt is het dus gezien de menselijke natuur onmogelijk zonder. RUTGER KOPLAND DE KOE Een koe is een merkwaardig beest wat er ook in haar geest moge zijn haar laatste woord is altijd boe K. SCHIPPERS TUSSEN DENKEN EN DOEN Het evenwicht geconcentreerd rond de sluitspier de billen als een blinde tweeling tastend naar de zitting de man die zitten gaat weet dat er een stoel staat tot hij achterover slaat daar ligt hij - help hem `ik dacht' zegt hij en waarom lacht hij daarbij een beetje verlegen `ik dacht echt'... maar niet heus een stoel bestaat niet voor ik erop zit mijn gat de leegte heeft gedicht tussen denken en doen J. BERNLEF IN HOGER SFEREN Als ik een vrouw ontmoet met een intelligent gezicht, een edel gevoelig profiel en beschaafde manieren, met poeziebundels van Reiner Maria Rilke en H"lderlin en een altviool onder de arm, dan denk ik meteen aan neuken. HANS DORRESTIJN MONT VENTOUX Dichten is fietsen op de Mont Ventoux, waar Tommy Simpson toen is overleden. Onder zo tragische omstandigheden werd hier de wereldkampioen doodmoe. Op deze col zijn velen losgereden, eerste categorie, sindsdien tabu. Het ruikt naar dennegeur, Sunsilk Shampoo, die je wel nodig hebt, eenmaal beneden. Alles is onuitsprekelijk vermoeiend; de Mont Ventoux opfietsen wel heel erg, waarvoor ook geldt: bezint eer gij begint. Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend, de top van deze kaalgeslagen berg: ijdelheid en het najagen van de wind. JAN KAL H‚... hallo, hoe gaat 't met jou nou, niet zo... moeder ligt op sterven kanker he, zo'n borst van 't gezwel jezus.. nou & vanochtend heeft 'n vriendin van me zelfmoord gepleegd beneden in huis, weet je wel... gotskristus tja, dan wil je zeker wel wat drinken ja... uh... doe mij maar 'n tomatensapje BART CHABOT