Nachtbloesems Louis Couperus I In dons van wolkjens glijdt ginds De zilveren sikker der maan; Die schijnt een gondel, een bootjen, Dat vaart op de blauwende baan. De wolkjens schijnen de golven, Witgekuifd, met luchtende tint, En de starren zijn zoo schoone leliën Als niemand op aarde vindt. Was die gondel mijn levensbootjen, Ik nam je, mijn lieve, en in meê, En wij zwierven daar hoog en den hooge, Alleen op de onmeetlijke zee. En had ik genoeg van je zoentjens, Genoeg woordjens van liefde gehoord, Ik nam je, een, twee, drie, in mijn armen, En... gooide je over boord! Nachtbloesems Louis Couperus II Nooit glijdt een verstandig woordjen Van die rozenlipjens dijn; Die moeten maar zonder poozen Aan het schertsen en kussen zijn. Die moeten maar altoos lisplen: `Jij bent de liefste mijn!' Maar meen je dan, dat dit immer, Mijn schatjen, genoeg zal zijn? Ga ik aan het redeneeren, Dra ben je het luisteren moê; Stil geeuw je achter je handjen, En je kijkertjens vallen haast toe. Wil ik je dan duchtig brommen, Je zoent al mijn brommen weg, En je omtoovert me zoo met een lachjen, Dat ik niet meer weet wat ik zeg. Ja, al zie je nu nog zoo verwijtend Mij met dat starrenpaar aan, Meen je waarlijk, ondeugend liefjen, Dat dit maar zoo voort kan gaan? Nachtbloesems Louis Couperus III Het duister omhuifde de velden; Droef dwaalde het maantjen omhoog, En droef zag het steeds op ons neder, Als met een brekend oog. Wij doolden te zaâm door de velden; Wij hadden elkander zoo lief! Ik zoend' haar, en 't zoeltjen lispte: `O, jij diefjen, o, zoentjensdief!' Plots klonk er een lach in de halmen; Zij schrikte, en vlug vloog ze weg: `Wie zoû toch ons durven bespotten, Daar ginds in het koren, zeg?' Ik zeide: `misschien wel een sater, Een satertjen, dat mij benijdt,' `Dien zag ik nog nooit in het koren, Hoe lang we ook hier hebben gevrijd.' `Wat beef je, mijn liefjen, wat beef je?' `Och toe, ach laten we gaan! Ik ben zoo bevreesd voor dien sater, Dat satertjen daar in het graan.' We gingen zoo gauw als we konden, En hoog in de lucht zag de maan, Hoe droeve ook in 't eerst zij staarde, Ons vroolijk-spottend aan. Nachtbloesems Louis Couperus Blauwoogjen Blauwoogjen, dweep je niet met den nacht, Als in den blauwe elk oogjen zoo lacht? Bepaereld laten de droomzieke rozen Heur hoofdekens hangen bij 't schuchtere blozen. Zag van heur zilvren tinne ooit de maan Ons met zoo lieflijke ooglonkjens aan, En zuchtte ooit het zoeltjen zoo zangerig-zachtjens... Hoor! 't lispt een naam in zijn achjens en klachtjens! Blauwoogjen, Blauwoogjen, fluistert de guit... Denkt-hij misschien: 't is de naam zijner bruid? Blauwoogjen, Blauwoogjen, hoor je 't niet trillen? 't Klinkt toch zoo klaar, want de nacht is zoo stille... Lieveken, luister eens, ginds aan den vliet... 't Voer kruipend-sluipend door 't krokende riet... 't Komt om ons zweven... de rozekens benglen, Gezoend door het windeken, loom aan heur stenglen. Hoor jij iets aêrs, laat, lieve als die bloem 't Peinzende kopjen dan zinken, en noem Flus mij de naam, dien jij hoort in het loof... Blauwoogjen, Blauwoogjen, blijf je nog doof?... Nachtbloesems Louis Couperus Narcis Aan den boord eener beeke Zie ik leliën droomend staan, Wijl de golfjens om haar stengels Schuimend gaan. Een rei als van nymphen, Die zich beuren uit de beek, Een rei als van sneeuwwitte bruidjens, Zoo kuisch, zoo bleek. En in heur midden heft zich Een enkele narcis, Die kwijnt op zijn stengelken Van droevenis. De leliën smachten van minne Voor die geluwde narcis; Zij geuren haar zoetste geuren, Zoo zwoel... zoo frisch. En de goudgele bloeme nijgt zich Steeds verder naar den vliet, Tot hij in den zilveren spiegel Zijn beeldtnis ziet. Zoo koud en zoo kil is het water... Zijn zoenen prangt De bloem op het beeld, waar minnend Hij over hangt. En de leliën lisplen droeve, Dat nog steeds met des jongelings lust De bloem zijne beeldtnis Op 't water kust... Nachtbloesems Louis Couperus VI Op zee in schomlend schuitjen, Zoo rank gelijk een zwaan, Zoû met een schalk-zoet bruidjen Ik willen gaan. Geen bries, die ook maar even Den zilverspiegel brak; Hoe zoû ons bootjen zweven Op 't glazen vlak! Hoe zoû het golfjen kabblen Met murmelziek gesus! Hoe spottend zoû het babblen Bij elken kus! En wen wij minnensmoede En spelemeyensmat Naar wal terug ons spoedden, Zoû, o, mijn, schat! Op donzen bloemensponde, Gespreid in onze kaan, Met u, mijn bruid, mijn blonde, Ik sluimren gaan... Bij 't dobbrend spelevaren Belonkt door 't starrenheir, Gewiegeld op de baren, Zacht heen en weêr, Alleen, alleen, o lieve! Alleen en onbespied Met u de zee te klieven... Waar' 't weelde niet? Nachtbloesems Louis Couperus VII Zeg, liefken, heugt U nog de vreugd, Wen op het kabblend water, Zoo spiegelrein, Als krystallijn, Zoo ruischziek van geklater, Ons kleene boot Daar vlugjes vlood In 't maanlicht, dat er glanste; Een notendop, Zooals zij op De golfjens dobbrend danste; Een rozeblad, Waarin een schat, Een paerel, lag te luchten: Mijn bange bruid, Die uit de schuit Vol angst vaak wilde vluchten? Waart gij weêr kalm, De gouden galm Eens nachtegaals bekoorde Uw zieltjen zoo, Dat gij maar noô Naar mijn gefluister hoorde, En dat ter steê Gij stemdet meê In 's vogels lied van minne, Als woudt gij hem Met uwe stem In 't kweelen overwinnen. Uw stemme was Zoo klaar als glas, Zoo klaar als zilvren klokjens; Wat klepten zij Daar vlug en blij, Wat klepten zij daar drokjes! En hooger klonk, Toen 't maantjen blonk, Waar 't door de wilgen lachte, Uw avondzang, Wijl, droef en bang, De vogel smolt in klachten. Tot plots hij zweeg. Een zuchtken zeeg Van spijt hem uit de keele, En nooit meer zong, Hoe 't hart hem drong, Die eertijds zoo kon kweelen... Maar zeg, waarom Bleef immer stom De stemme van uw harte, Daar toch uw mond Wel toontjens vond Om 't zangertjen te tarten? Nachtbloesems Louis Couperus VIII O, sluimer zacht! 't is al zoo kalm: Geen vooglengalm Verstoort de nacht: O, sluimer zacht! Alleenlijk trilt Mijn minnezange; Die smacht en smilt Van zoet verlangen, Nu woest en wild, Dan bevend-bange In de avondstilt Maar, laas, niet acht ge, Ai, waarom niet? Mijn zielsverdriet; En spotziek lacht ge, Went 't zangzoet lied Der luite ontvliedt; Waar 'k minne bied In spranken schiet; Waar 'k tranen giet In paerlen vliet...! Zag ik bij maanlicht Aan 't vensterkijn Uw loddrig aanzicht, Wat vreugd was mijn! Uws lampjens schijn, Een rozengloor, Lucht bleekjes door Het blank gordijn Van kant zoo fijn. En 't schijnt, die glimmer Bediedt mij: nimmer, O, nimmer, nimmer Verhoort ze uw klacht, Wat elken nacht Gij hier ook wacht, En smeekt en smacht Als zonder kracht Voor minnes macht...! O, sluimer zacht! 't Is al zoo kalm: Geen vooglengalm Verstoort de nacht... O, sluimer zacht! Nachtbloesems Louis Couperus IX Kom mede in het duister, mijn kind! Kom mede in het duister, want de avond is schoon! Als verstomd zijn de vooglen; geen enkelen toon Zingt er de zangrige wind. Kom mede in het duister, mijn lief! Kom mede in het duister, want niemand ons ziet; Niet eene enkele bloem ons nieuwsgierig bespiedt, Waar ze op heur stengel zich hief. Kom mede in het duister, mijn hart! Kom mede in het duister: ik smacht naar uw mond; Naar den blik uwer oogen; naar 't hair, dat zoo blond Zich rond uw wangen verwart. Kom mede in het duister, mijn schat! Kom mede in het duister: 't al lieft met ons meê; Al de rozekens storten in heur beê, Zwijmlend, van kussen reeds mat... Zoo schoon is de nacht, en zoo stille is de wind... Komdy mede in het duister, o mijn lief, o, mijn kind! Nachtbloesems Louis Couperus X De zoeltjens suizlen door de blaêren, Het maanlicht lacht met luchten straal, En in de hooge rozelaren Weêrtrilt een schelle nachtegaal. Droomt ge op uw sponde Reeds in vreê, Of hoort ge, mijn blonde, Die orglende beê? Steeds blijft uw wit gordijn gesloten; Geen schuchter handjen beurt het op; Toch zie 'k uw zoet gezichtjen scheemren, Zoo rozig als een rozeknop. Hoort ge, mijn blonde, Geen vogel, die smacht, Ai, sluit uw oor niet Voor mijn klacht! De starren spranken in den hooge, En hooger zingt de nachtegaal; Maar 'k smacht naar 't spranken van uw oogen, En uwer lippen zoete taal. Hoort ge, mijn schoone, Geen lied van leed, Minzieke tonen, Klagenden kreet? Kweele de vogel, Zinge ik mijn lied, Gij hoort ons nimmer, Gij troost ons niet! Middernacht Louis Couperus 1 Langzaam galmen Twalef slagen, Door den kalmen Beemd gedragen, Als een gillende Kreet van smarte, Plots omtrillende 't Brekend harte!... 2 En voor Jezus' outer Nijgt de nonne neêr. Heure lippen lisplen, Purperloos en flets, Bij 't nauw-hoorbaar wisplen Woorden des gebeds: `Uwe liefde louter' Mijne ziele, o, Heer!' Als een zilveren lelie straalt De maan, door geen wolkje gedoofd, En heur klare schijnsel daalt Op het diep-gebogen hoofd. Zachtekens, zachtkens slingeren Hare slanke vingeren Heuren rozenkrans, En elke paerel fonkelt, Wen 't bidsnoer krinkelend kronkelt, Met een matten glans. Terwijl in des outers scaûw, Gelig-bleek en flauw, 't Kaarsken schijnt, En walmt... en kwijnt... 3 `Engelenscharen Zweven omhoog, Tot aan den luchten Wolkenboog. Harpe na harpe Herhale 't lied, Dat steeds naar hooger Sfeeren vliedt! Leliën zijgen Alom, alom, Kondend de komst Van den Bruidegom. Engelenwieken Beuren u teêr; Kom, o, daal neder! Kom, o, mijn Heer! Prang aan den boezem Uw dienares; Dat 'k aan Uw lippen Kussend me lessch'! Zalig verrukken! Hemelsch genot! Kom, o, daal neder, Mijn God, mijn God!' 4 En de galmen Der leste slagen Weg door den kalmen Beemd gedragen, Zijn als een gillende Kreet van smart, Onttrillende... Aan 't gebroken hart!... Gedroomd minnen Louis Couperus 1 Reeds viel de nacht; 't al scheen in zoeten sluimer Gezegen; niet een enkle nachtegaal Zong in jasmijn of roos zijn zang van liefde, En geen schalmei, die juichtte of smachtte, klonk Meer pijpend in de blauwe veerte, waar Het zilvren vesperklokje al sints lang Zijn roerend-vrome klanken had doen trillen. Toen scheen er plots door 't ristelend geblaêrt, Als op de lichte wieken van een vlinder, Een zachtkens-suizlend zoeltjen aan te zweven. 't Voer op den aêm der bloemen eerst door 't geurend Citroenenloof; toen ruischte 't klagend door De lauwerieren; eindlijk om zich heen Als sneeuw de bloesems in den ronde strooyend, Scheen met een enklen zucht het hijgend langs Jasmijnen en langs rozen weg te sterven, En de amber steeg zoet-balsmend naar omhoog... Maar 't was, of in dien adem door het loover Een schelle kreet van wanhoop had getrild, De kreet eens brekend harten... toen was alles Weêr stil; alleen de zilvren avonddauw Viel nog in paerels op de half-ontblaêrde En kwijnend neêrgezegen witte bloemen... 2 Hij lag te sluimren in de zijden kussens Van 't ebbehouten rustbed, en hij droomde, Hij droomde... Langs de zuilen van porfier, Wier slanke schachten op heur kapiteelen Het weeldrig beeldhouwwerk der friezen torschten, Zeeg 't maanlicht neêr... De draperieên hingen, Door gouden koord gebeurd, haar purpren fulp, Dat dof van gloed in 't scheemlend maanlicht glanste, Van zuil tot zuil in pracht van plooyen op. En tal van duiven schuilden daar, en vonden In elke vouw een nest van liefde... Zwijgend, Geheimnisvol in 't bleeke, blanke maanlicht, Verhieven zich ten voet van elke zuil De schittrend-witte marmeren gestalten Van glimlachlooze goden en godinnen, Geschapen door des slapers eedel kunst. Slechts lachte zoet de goudene Afrodite; Een Danaïde hief zich in het midden Der zale, en lachte niet... het spattend water Stroomde uit de albastenvaze, die ze beurde, Zacht-klaatrend in het breede, marmren bekken, Alwaar azure' en sneeuwigwitte lotos De groote kelken droomensmoede look. En steeds lag in zijn dromen hij verzonken. Bleek was zijn beeldschoon aanschijn, marmerbleek, Omkranst van gitzwart haar, waarin een paerel, Gevlogen uit de vaas der Danaïde, Soms vonkte, fijn-geäderde zonk het ooglid, Omzoomd door lange pinkers, over 't oog; En de adem deed den boezem regelmatig Zich heffen bij des sluimers lichten druk. 3 'Al was zoo stil, zoo heimlijk-stil... Daar gleed Er langs de zuilen, langs de marmerbeelden, Des kunstnaars leerling met onhoorbren tred; Een zonnig-schoone knaap, in 't schittrend oog Den gloed van onuitbluschbren levenslust, En onverwelkbren glimlach om de lippen, Den frisschen blos op volle, blanke koon, Terwijl met dartlen zwier tot in den hals De blonde lokken golfden... Op den tip Der teenen gleed hij voorwaarts, zachtkens voorwaarts, Tot hij aan 's meesters legerstede stond, En aandachtsvol den droomer gadesloeg. Rondom hem bleef het immers sitl; het water Slechts ruischte klaatrend uit de albasten vaze; Steeds zwegen stil de glimlachlooze beelden, En staarden met hun ijzig-kouden blik Den jongling aan, alsof tot in het diepst Van zijne weifelende ziel zij lazen. In bangen tweestrijd zag hij angstig rond; Maar toen, met bonzend harte, gleed hij verder, Tot waar aan 't eind der lange zuilenhal Een fulp gordijn het heiligdom verheelde, Waar zoo met gantsch zijn zielde hij naar haakte... O, weldra zoû zijn wensch bevredigd zijn! De hand reeds aan het purperdoek geslagen, Zag hij nog eens angstvallig om... Bewoog De slaper zich daar op zijn sponde?... O, neen, Zijn vrees bedroog hem; bevende als een blad, Hief hij 't gordijn, en haastte zich naar binnen... 4 Een zilvren lamp hing neder van 't gewelf, En gaf een bleek-blauw schijnsel als van maanlicht. Uit gouden drievoet walmden wierookwolken, Heur zwoele roken menglend met den adem Der lelies, die in rein-krystallen vaas Bedwelmend-zoet mystieke beden geurden. Hoog op het voetstuk throonde 't marmerbeeld, In hare wedergadelooze reinheid Zoo bovenaardsch, dat meer ontzach dan liefde Ze in 't kloppend hart des jongelings verwekte. Hoog hief ze zich, een droom in 't starend oog, Een wondren glimlach om den zoeten mond; Heur sneeuwen boezem welfde zich ontbloot; De draperie zeeg van de linkerheupe, In breede plooyen 't onderlijf omprangend, De ronding van het been maar half verhelend, En heure vingren wrongen 't marmerfloers Van voren vast in weelderigen knoop... Hij zag haar thands, die, voor elks oog verborgen, Slechts 't meesters blik heur kuische schoonheid schonk: 't Verzinlijkt ideaal des kunstenaars, Een droom in marmer werklijkheid geworden; Hij zag haar thands, en eerbied en bewondring Gaf ernst aan 't dartel Bacchos-aangezicht; Hij zag haar thands, en 't drong hem in het harte Te knielen... Maar niet meer dan korte pooze Betoovrend' hem die koude maagdlijkheid; Te zonnig was hij voor die kuische sneeuw, En de eerbied week van 't blozend, rond gelaat, Terwijl zijn blik nieuwsgierig-onderzoekend Haar gadesloeg; zacht murmelden zijn lippen: `Ze is niet meer vrouw, ze is reeds godinne op aard. Hoe zoû 't mij drukken steeds mijn eigen kleinheid Met zoo veel groots te moeten vergelijken!... Mijn heer beschouwt het zonnig-schoone leven Als waar' het niet meer dan maar een eindloos pogen Om 't ideaal zich steeds meer onbereikbaar Te malen, strevend naar 't geluk, dat vlucht! Onzinnig zoeken naar 't geluk, waar dit In elke bloem, die bloeit, ons tegenlacht! De bloeme des geluks geurt overal; De meeste staren echter naar de starren, En gaan voorbij, terwijl hun blik omhoog Nog zoekt, wat mild omlaag zich hun reeds bood. I, wel bewonder ik die hooge starren, Zoo rein daar flonkrend in den blauwe ether, Dan, ik vertrap de bloemen niet in 't stof; Ik gaêr ze tot een tuil, en, o, haar geur Is mij bedwelmend-zoet... Deêz maged is Het onbereikbaar Ideaal verzinlijkt... Wee die het zoekt op aard!... O, arme dichters, Waarom zijt gij reeds goden hier omlaag!' Daar klonk een stap; de purperen gordijn Wierd opgebeurd; de meester stond ten drempel, En toornig trof zijn blik den jongeling, Die dus betrapt, verscrikt en schichtig 't hoofd Naar achtren wendde, toen ter knieën neêrzonk: `Genade, o Heer,' zo kreet hij, `o, genade!' Nog voor het woord des toorns van 's meesters lippen Geklonken had... `Vergeef mij, ik deed onrecht, Maar 't harte drong mij zoo, ik smachtte, ik smachtte Dit godlijke beeld te aanschouwen...' Smeekend hief hij Zijn in elkaêr gewrongen handen op, En smeekend zag het schuchter oog ten kunstnaar, Die voor de vreeze van den knaap zijn gramschap Reeds half vergat... de donkre blik wierd zachter; De wolken weken van het bleeke voorhoofd; Toch sprak de stem nog trillende: `Het zij zoo!' 'k Vergeef u, die mijn liefling zijt, al hebt Gij 't woord van trouwe ook trouweloos geschonden, Niet achtend de belofte, die gij zwoert: Deêz heilgen drempel nimmer te overschrijden. Gewijd is deêz plek, haar, mijn godin; Maar nogmaals wees vergeven, wees vergeven: 't Gevoel was wellicht edel, dat u drong, Niet bloot nieuwsgierigheid, laat dit mij hopen!' Nog rees hij niet, tot weenens toe geroerd Door zooveel goedheid, leende 't blonde hoofd Hij op de hand, die zacht hem wilde beuren. Toen voerde hem zijn heer ter zuilenzaal Waar 't maanlicht langs 't porfier der schachten gleed, En 't water aan de vaas der Danaïde Ontvloot in zachtkens-klaterende straal... 5 Stil-zwijgend zaten ze op de rustbank neder, Terwijl de kunstenaar, als peinzensmoê, 't Omlokte hoofd weêr in de kussens vlijde. De vleuglen der gedachten overschaûwden Zijn voorhoofd, streng en bleek, schoon rimpelloos En nog met in zijn tranen drijvende oogen Sloeg hem de knaap steeds gade, tot de meester Zich hief, en sprak: `Gij zaagt mijn weêrgaêlooze, En schoon ik eerst, naijvrig op heur schoonheid, Aan ieder haren aanblik had ontzegd, Toch schijnt het thands mij zoete troost te zijn, Aan hem, die in mijn hemel binnentrad, Het leed, dat mij het harte breekt, te klagen. Wees gij mij troost, wees gij mijn toeverlaat! Gij, die met blijden blik het leven inziet, Dat u niet dan een droom van liefde schijnt, O, beur mij uit dit naamloos zieleweedom! Hoor mijne klacht, wees mij een vriend, een vriend!' En met een snik zonk 't moede hoofd ten boezem Des jonglings, die met teêrheid zijnen arm Den meester om den hals sloeg, dringend vleyend, Dat hij zoû spreken. Toen sprak de andre: `Ik dichtte Reeds vroeg mij haar, die me in dit leven zoû Verzellen, troostend met heur zonneglimlach. Steeds zweefde haar gestalte door mijn droomen, Schoon eerst zoo vaag, dat ze als een schaduw was, Toch lichtend als een geest des paradijzes, En, - ik herinner 't mij, - ze was gewiekt. Een liefdeglans omgloorde heur aangezicht. Toen later 't beeld meer vasten omtrek kreeg Bleef wel die schitterende glans; de wieken Verzwonden echter... Ach, dit deed mij leed, Maar toch verheugde ik mij, dat zij in aardscher Gestalte me in mijn droomen wilde naadren Steeds kreeg het beeld meer lijn, meer kleur, meer gloed; Toen greep 'k den beitel om mij dit vizioen, Geestdriftig-gloênde, in marmer uit te houwen... Dan, ach, toen ze uit schittrend-witte steen Ten lest verrees... voldeed ze mij niet meer! 't Was maar de schoone vorm der vrouw, de ziele Ontbrak... En toen ik mij een jonkvrouw zocht, Wier ziele als die des droombeelds waar', helaas, Helaas, ik vond haar niet...' `Hoe dichttet gij Haar ziele, o Heer?' `Ik dacht mij haar een fee, Een fee, uit hooger sfeeren afgedaald, Om ons in 't zwoegen der onwaarden levens Te troosten; weldoend, geurge bloemen strooyend Op 't doornig pad, waar zwevend zij ons voorging. Ook dacht ik soms haar mij zoo zacht en rein, -Meer aardscher dan-, dat slechts de teêrste zorge Haar kon beveilgen tegen leed en smart. Ik nam den lijdenskelk haar van de lippen, En dronk dien, en heur glimlach loonde mij; Ik zwoegde en zwoegde, en wen ik afgemat Me aan heure voeten vlijde, zong ze een lied Van milden troost, zoo schoon, als ving zij de echoos Der englenwijzen op, en 'k leed niet meer. Zij kon me beuren, want zij had geen zorgen; Haar eenge smart was mijne smart te zien. Wij leefden voor elkaêr; de reinste liefde Omstrengelde onze harten in een kluister Van eeuwge rozen, en ik was gelukkig, Schoon 't leven zeldzaam maar geluk ons biedt! Maar, och, hoe zoet heur marmren beeldtnis lonkte, Zij bleef een beeld, gevoelloos, koud, geen ziele Ontgloeide in heure smettelooze sneeuw... En o, kon ik uit wufte maagdenreyen Me een jonkvrouw kiezen, ik, die me in den droom Zoo zaalge bruid zag toebedeeld? Ik smachtte Naar liefde, en toch mijn noodlot wilde, dat Ik nimmer minnen zoû!' 6 Hij zweeg een poos, En heete tranen glipten door de vingren, Die de arme kunstnaar zich voor de oogen hield; Een zacht gesnik doortrilde zijnen boezem... Daar buiten zong de nachtegaal een lied, En smachtte als hij... Toen sprak de blonde knaap: `Ween, meester, niet, nog zijt ge niet verloren! Verdroom niet meer, maar, o geniet het leven! Dan zult gij 't steeds u vluchtende geluk Bij zijne dartle vleuglen grijpen, en - Hartstochtlijk het u aan den boezem prangen!' `Wat is mij 't leven', klonk het wederwoord, Waar troosteloos een diepe zucht in trilde, `Indien 't me niet mijn gulden droomen geeft? Is dit uw troost, zoo kan die mij niet baten; Ik wil azuur, en gij, ge biedt mij slijk!' `Gij wilt de starren, en ik bied u bloemen! O, laat de starren, vriend, in 's hemels blauw! Zij zouden u verblinden, kondt ge hooger Tot in heur schitterende stralen zweven, En neem de bloemen, die zoo lieflijk geuren; Gij zijt op aarde, en, ach, ge vraagt een hemel! Geniet, mijn vriend, geniet, en pluk den dag! O, grijp d'omkransten beker, dien u schuimend Een dartel-schoone maagd zoet-lonkend langt! De nektar paerelt; dat hij bruisend stroome! Vergetet ge in den zwijmel van den hartstocht Uw droeve smart, die lijden u doet kwijnen! Pluk fluks den kus, die u van roode lippen Zacht toelacht; zing, o zing het zalig lied, Waarin de galm van eindelooze vreugde Weêrklinkt: geniet, geniet het heerlijk leven, Dat zooveel schoonheid, zooveel weelde biedt! De rozen geuren, schoon zich de adder heimlijk In haar verborg; o, breek ze van heur stenglen, En zoo de slange u wondt, zoo kunt ge sterven: Eens waren toch de zoete bloemen dijn! Gij schudt het hoofd, welaan, 'k zal niet zoo ijvren; Maar hoor mijn raad, mijn vriend, en droom niet meer. Gij smacht naar liefde? Kies u eene maagd, Wier ziel gelijk een lelie kuisch en rein is, En zoo ze u mint, zal zij uw Ideaal -Nooit zijn, het is zoo, maar volharden pogen 't Nabij te streven; groot is immers heer, De kracht der vrouw, zij zal het kunnen! Maar, o, geniet het leven, drink den kelk Van 't zoet genot, dien elke dag ons biedt...' `Wat gij genieten noemt is geen genot Voor mij...' Het was des meesters enig antwoord, En 't jongsken hoorde niet den wanhoopskreet, Dien in zijn ziel de kunstnaar deed verstommen. Maar toen een wijl daarna de dartle knaap, Een glimlach op de lippen, neêr zich vlijde Op 't donzen rustbed, en in zijnen droom Een zoeten naam zacht fluisterde, toen stond De meester voor het marmren vrouwenbeeld, Zijn blikken sprekend van een brekend hart, Hoe traan op traan die blikken ook omfloersde... Getemd Louis Couperus In de doodsangst ijlde een hinde door het woud, De wanhoop in het goudbruin oog, dat staarde, Dat staarde, of 't ginds ook niet een uitkomst zag, In 't ver verschiet... Reeds stond het bloedig schuim Haar op den fijnen snoet; de dorens wondden Heur teêre zijden, en de slanke pooten Verwarden zich in 't netwerk der lianen... Een jonge jager, in zijn forschen vuist De spere klemmende, achtervolgde haar. Zijn boezem zwoegde; het vurig-fonklend oog Schoot straal bij straal van onverzaadbren jachtlust, En zijnen mond verwrong een wreede trek. 't Gespikkeld lossenvel zwierde om zijn schoudren; De rossig-blonde hairen vlogen warlend Om 't gloeyend aanzicht... Immer vliegt ze verder, Totdat... verneemt zij reeds die ademhaling, Haar zwoegende achtervolgend? Moede en mat Vertraagt de vluchtling heure dolle vaart, Als geeft ze zich gewonnen... Wellicht heft, Met aadlaarsblikken mikkend, reeds de jager Zijn speer, zoo fel gelijk een bliksemschicht... Zij wankelt... Dan, op eens, daar ligt een meir; Saffier, die sparkelt in het groene loover, Lazuren vloed, het reine blauw des hemels Weêrspieglend als een klaar krystal... De redding Is daar... zij voelt het... daar... Met nieuwen moed De laatste krachten zaamlend rept ze zich Tot aan den oever, springt in 't koelend nat, En waadt en zwemt... ginds lokt reeds de andre boord... En druipend stijgt zij op uit 't riet, en vlucht... De jonkman, met één ruk den dierenhuid Zich van de schoudren trekkend, stort zich zonder Een poos te toeven in het water, brieschend Van toorn nu hij zijn prooi ontsnappen ziet. Dan, nauwlijks klieft hij zwemmend door den vloed, Of voelt zich plots omstrengeld door twee armen, Zoo wit als sneeuw; hoe ook hij tegenstreeft, Hem immer vaster klemmend, immer vaster... En reeds verzwindt de vluchtende in het loof... Dan worden eerst zijn boeyen hem geslaakt; Hij voelt zich vrij, maar zie, daar beurt zich schaatrend Te mid van bloeyend lisch en krokend riet De nymf des meirs, zoo wedergaêloos-wit, Als waar' ze uit enkel zilverschuim geboren. Tot aan de rozenknieën heft zij zich Omhoog; van paerlen vloeyend is heur boezem Zoo teeder-schoon gelijk een duivenpaar, In slang bij slang door groenig-gouden lokken Omkronkeld, en haar wonder oog, zoo blauw, Zoo diep als 't krystallijn des klaren meirs, Temt, half zich luikend, van verlangen zwijmlend, Den viergen Nimrod met een enklen blik. En lokkend, lonkend lachen heure lippen; Haar eene hand doorwoelt het goudgroen hair; Heur andre plukt de bleekblauwe iris, die De groote bloemen aan heur lichaam dringt. Ontroert slaat haar de jager gade... `O, kom! Kom in mijn armen, kom mij aan den boezem!' Zoo roept ze: `Ik smachtte van den oogenblik, Dat ik voor 't eerst u in dit oord zag jagen, Niet op de hinde alleen, de schuchter-bloode; Ook op wat wildst er in de wouden zwerft. O, mocht ik u, en nooit versaagden jager, Hier in mijn armen temmen!' en zij strekte Die uit, zoo slank als donzen zwanenhalzen, En smachtte en smeekte: `O, kom, o kom!'... Hij kwam, En toen des avonds door het fluistrend loover De maan hen schalk belonkte, waar ze sluimrend Elkaêr in de armen lagen in het lisch, Toen kwam de hinde om heuren dorst te laven Aant 't meir terug, niet bang meer voor den jager, Daar zij getemd dien wist in zoete omarming... Baadster Louis Couperus Een blanke nymf steeg ze uit het marmren bad, En toefde op de eerste treê; heur armen beurden En wrongen 't blonde hair, dat druipend nat Nog van den amber der violen geurde. Hoe 't rozig-blond van 't blozend rozeblad De sneeuw haars teedren lichaams warmer kleurde, Terwijl van paerlen vloeyende en omspat, Zij lelie was, die in den dauwe treurde! Daar stond ze, steunende op het slanke been, Zoo, dat bevallig zich de heupe rondde, Nu de armen hoog de dartle lokken bonden. Daar stond ze, glanzend-wit als marmersteen, Geheel omsluyerd in den korenblonde: Antieke vaas met douden veile omwonden.